Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
,
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
"...
Op 13 augustus 2018 iets na 22:00 uur.... De auto stond voor mijn woning. Ik woon aan [adres] .
22:24:43 Ik zie de persoon, hierna verdachte 1, op [verdachte] afrennen. Ik zie verdachte 1 [verdachte] aanvallen door middel van grijpende bewegingen naar het hoofd en hals
van [verdachte] .
22:24:44 Ik zie verdachte 1 [verdachte] rondom zijn nek pakken en naar beneden, naar de grond, trekken (ogenschijnlijk via een nek klem). Hierbij komt [verdachte] ten val.
22:24:50 Ik zie [verdachte] trachten omhoog te komen en dat verdachte 1 [verdachte] nogmaals vastpakt. Ik zie [verdachte] met zijn rechterarm een slaande beweging
richting verdachte 1 maken. De slaande beweging treft verdachte 1 niet, waarop verdachte 1 [verdachte] opnieuw tegen de grond drukt.
22:24:51 Ik zie een derde persoon in beeld verschijnen, hierna verdachte 2. Verdachte 2 komt van dezelfde zijde als verdachte 1.
22:24:53 Ik zie verdachte 2 met zijn linkerhand naar zijn rechterhand gaan. Terwijl verdachte 1 staat en afstand neemt van [verdachte] zie ik verdachte 2 twee keer een kort trekkende beweging maken met zijn linkerhand ten opzichte van zijn rechterhand. Op basis van de aangifte kan deze beweging mogelijk geduid worden als het doorladen van een vuurwapen. [4]
A): Ik wil graag de hele waarheid vertellen.
Op de heenweg naar Groningen reed ik. Ik zag toen dat [verdachte] iets op zijn telefoon had geschreven en dat aan de medeverdachte liet zien. Achteraf bleek dit het plan te zijn wat we later hebben uitgevoerd, namelijk het in scène zetten van de aanslag op [verdachte] ....Een tijdje later zijn wij weer naar Groningen gegaan. Dat was volgens mij op 11 augustus 2018, twee dagen voor het uitvoeren van het plan. In Groningen hebben we het plan van de aanslag op de heer [verdachte] doorgesproken. Dit was samen met de medeverdachte en de heer [verdachte] .
(V): Op de beelden lijkt het erop alsof het wapen werd doorgeladen.(A): Dat klopt(V): Hoe vaak?(A): Een keer.…(V): Van wie heb je het wapen gekregen?(A): Van de heer [verdachte] . [6]
een week voor het gebeuren waren [naam 1](de rechtbank begrijpt: [naam 1] ),
[verdachte](de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] )
en ik in Amsterdam. [verdachte] liet mij toen zijn telefoon zien en ik zag dat er op het scherm een kladblok notitie zat. In datbericht stond dat hij een liquidatie poging wilde gaan opzetten op hem gericht om “de ogen weer die kant op te krijgen”. Ik begreep daaruit dat hij dus kennelijk iets in scène wilde zetten.…(V): Heb je overwogen om Nee te zeggen?(A): Nee, als de General dat vraagt dan doe je dat. Ik ben “maar” een prospect.(V): Hoe zijn de plannen verder uitgedacht?(A): De dagen erna kwam [verdachte] met het idee dat het op de parkeerplaats bij zijn huis zou moeten gebeuren. [verdachte] heeft namelijk camera’s bij zijn huis hangen die zouden alles dan opnemen. Het was de bedoeling dat ik [verdachte] zou aanvallen en dat [naam 1] zogenaamd zou schieten.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.