Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
(P)
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
poging tot zware mishandeling;
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie;
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie;
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
€ 3.561,33;
9.De vordering tenuitvoerlegging
.
10.De toegepaste wettelijke voorschriften
11.De beslissing
08-146286-21, onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
poging tot zware mishandeling;
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie;
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie;
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling;
straf
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden;
van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat verdachte:
bijzondere voorwaardendat verdachte:
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1] ten aanzien van de gevorderde materiële schade, voor het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst af het meer of anders gevorderde ten aanzien van immateriële schade;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van he bewezen verklaarde feit tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 550,--,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
parketnummer 08.146286.21,feiten 1 en 2): van een bedrag van € 1.007,01 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2021;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.007,01,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
tenuitvoerleggingin de zaak met parketnummer 08-063099-19.