Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
in de procedure in kort geding van:
1.[gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde 2], wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In deze kortgedingprocedure vordert de legitimaris dat de opbrengst uit de verkoop van de woning van de erflater in depot wordt gestort bij de notaris, nog voordat de legitieme opeisbaar is geworden. Tevens wordt gevorderd dat de erfgenamen verplicht worden informatie te verstrekken over de nalatenschap.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 4:81 BW Pro erfgenamen minimaal een half jaar de tijd moeten krijgen om orde op zaken te stellen en inzicht te krijgen in de nalatenschap. Deze termijn is nog niet verstreken. Hoewel de legitimaris vermoedt dat de erfgenamen gelden zouden kunnen wegsluizen, is daarvan geen bewijs geleverd.
De rechter oordeelt dat het ontbreken van vertrouwen in de erfgenamen niet voldoende is om de vordering tot depot te honoreren. Ook de vordering tot informatieverstrekking wordt afgewezen, omdat legitimaris niet hetzelfde inzagerecht heeft als erfgenamen en de redelijke termijn nog niet is verstreken.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vorderingen worden afgewezen en de zaak wordt gesloten met een mondelinge uitspraak op 5 juli 2021 door de voorzieningenrechter.
Uitkomst: De vorderingen van de legitimaris tot depot en informatieverstrekking worden afgewezen omdat de redelijke termijn voor erfgenamen nog niet is verstreken.