ECLI:NL:RBOVE:2021:3087

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
3 augustus 2021
Zaaknummer
C/08/267543 / KG RK 21-284
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • S.J.S. Groeneveld - Koekkoek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvullend conservatoir beslag op onroerende zaken wegens onvoldoende vrees voor niet-betaling

Partijen, voormalig gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en gescheiden per 3 september 2020, waren samen eigenaar van een agrarisch bedrijf. Zij sloten een akte van dading waarin de vrouw het bedrijf voortzet en betalingsverplichtingen aan de man zijn vastgelegd, waaronder zowel reeds vervallen als toekomstige termijnen.

De man had reeds conservatoir beslag verkregen voor de vervallen termijnen maar verzocht aanvullend beslag voor toekomstige bedragen. De vrouw betwistte dit verzoek en stelde dat het prematuur was en er geen vrees voor verduistering bestond.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de toekomstige vorderingen binnenkort in de bodemprocedure worden behandeld en dat onvoldoende aannemelijk is dat de vrouw niet zal betalen of het bedrijf vóór 2035 zal liquideren. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt financiering na te streven, wat het risico op verduistering vermindert.

Daarom werd het verzoek tot aanvullend conservatoir beslag afgewezen. Tevens werd in een kort geding het verzoek tot medewerking aan liquidatie afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek tot aanvullend conservatoir beslag op onroerende zaken wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van niet-betaling en gebrek aan vrees voor verduistering.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rekestnummer: C/08/267543 / KG RK 21-284
Beschikking van de voorzieningenrechter van 9 juli 2021
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerder,
advocaat mr. N.S. Commijs te Zwolle.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 17 juni 2021 voor verlof tot het leggen van (aanvullend) conservatoir beslag op onroerende zaken
- de mondelinge behandeling op 18 juni 2021 via Skype, waarbij ook het kort geding tussen
partijen met zaaknummer 266675 / KG ZA 21-133 is behandeld
- de aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen, waarna de man heeft bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een beslissing zal worden genomen. In de kort geding procedure wordt vandaag in een afzonderlijk vonnis een beslissing genomen.

2.De beoordeling

Waar het geschil tussen partijen over gaat

2.1.
Partijen zijn getrouwd geweest onder huwelijkse voorwaarden. Ze zijn gescheiden per 3 september 2020. In maatschapsverband hadden zij een agrarisch bedrijf (hierna: het bedrijf).
2.2.
Partijen hebben tijdens een arbitrageprocedure een akte van dading gesloten op 6 maart 2020. Daarin is onder andere opgenomen dat de man per 1 januari 2019 uit de maatschap treedt en dat de vrouw het bedrijf per die datum voor eigen rekening en risico voortzet. De vrouw moet verder de volgende bedragen aan de man betalen:
- op uiterlijk 1 juni 2020: € 2.000,-
- op uiterlijk 1 juli 2020: € 2.000,-
- op uiterlijk 1 augustus 2020: € 271.000,-
- op uiterlijk 1 juni 2023: € 50.000,-
- op uiterlijk 1 juni 2025: € 75.000,-
Daarnaast moet de vrouw in geval van liquidatie van het bedrijf voor 1 januari 2035 een bedrag van € 400.000,- betalen met een afstaffeling van 10% per jaar vanaf 1 januari 2025. Indien [zoon] het bedrijf volledig zou overnemen is er geen sprake van een nabetalingsverplichting.
2.3.
De op dit moment vervallen termijnen van € 275.000,- heeft de vrouw niet aan de man betaald. De man heeft daarom beslagverlof gevraagd en verkregen op 20 augustus 2020. Verder is de man een dagvaardingsprocedure bij deze rechtbank begonnen, waarin hij kort gezegd (primair) nakoming heeft gevorderd van de akte van dading, ook voor de toekomstige termijnen. Er heeft een mondelinge behandeling in die zaak (met zaaknummer 252732 / HA ZA 20-345) plaatsgevonden op 16 februari 2021.
2.4.
Op 20 april 2021 zijn de maatschap en partijen door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. Dat faillissementsvonnis en de daarbij uitgesproken faillietverklaring is na verzet vernietigd bij vonnis van deze rechtbank van 6 mei 2021. De bodemprocedure staat nu op de rol voor antwoordakte aan de zijde van de vrouw op 14 juli 2021.
Wat de man wil
2.5.
De man heeft op 20 augustus 2020 verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen op het eigendomsrecht van de vrouw op diverse onroerende zaken die behoren bij het bedrijf en de woning (zaaknummer 253136 KG RK 20/380). De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft dat verlof op diezelfde datum verleend en de vordering begroot op € 357.500,- inclusief kosten.
2.6.
De man heeft met het verzoekschrift van 17 juni 2021 verzocht om op dezelfde onroerende zaken conservatoir beslag te mogen leggen in verband met een vordering van in totaal € 1.040.000,- inclusief kosten. De vordering is ten opzichte van het eerdere beslagverlof verhoogd met de toekomstige termijnen van 2023 en 2025 en de vordering van € 400.000,- vanwege te verwachten liquidatie van het bedrijf op korte termijn. In de kort geding procedure heeft de man namelijk kort gezegd gevorderd dat de vrouw moet meewerken aan liquidatie van het bedrijf. Volgens de man nemen de schulden van het bedrijf alleen maar toe. Hij stelt dat het duidelijk is dat de vrouw nu en in de toekomst niet zal betalen.
Het verweer van de vrouw
2.7.
De vrouw verweert zich tegen het gevraagde verlof. Zij stelt zich op het standpunt dat het verzoek prematuur is en dat er geen sprake is van vrees voor verduistering.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
2.8.
De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Dat licht zij hierna toe.
2.9.
Dit verzoek betreft alleen in de toekomst verschuldigde bedragen, namelijk de termijnen van 2023 en 2025 en een bedrag van € 400.000,- in verband met een volgens de man te verwachten liquidatie voor 2035. Een beslissing in de bodemprocedure, ook over de toekomstige termijnen, is op korte termijn te verwachten. Daarmee zal ook meer duidelijkheid komen over de verschuldigdheid van de (toekomstige) bedragen. De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van de huidige stukken onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw haar betalingen in 2023 en 2025 niet zal voldoen of dat het agrarisch bedrijf vóór 2035 zal worden geliquideerd. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat in het kort geding vonnis van vandaag de vorderingen tot meewerken aan liquidatie van het bedrijf zijn afgewezen in verband met het ontbreken van spoedeisend belang. De man heeft verder onvoldoende onderbouwd gesteld dat verhaal van zijn vordering in een later stadium onmogelijk zal zijn.
2.10.
Bovendien is de vrees voor verduistering onvoldoende gesteld door de man.
De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij financiering probeert te krijgen om onder andere de vorderingen van de man te voldoen. Die financiering was ook onderdeel van de afspraken tussen partijen en kan bijvoorbeeld bestaan uit het verkopen en vervolgens terug leveren van onroerend goed via een erfpachtconstructie. Hetzelfde geldt voor de financiering via de bank met een hypothecaire geldlening. De man is daarmee bekend. Dit levert geen vrees voor verduistering op.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2021.