ECLI:NL:RBOVE:2021:3416

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 augustus 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
9073183 \ CV EXPL 21-1142
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 1 FwArt. 350 lid 3 sub a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgpremies wegens verjaring na beëindiging WSNP

Univé vordert betaling van openstaande zorgpremies en zorgkostennota’s uit 2010 en 2011 van [gedaagde], die in de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) is gekomen. De WSNP werd op 7 februari 2019 beëindigd zonder dat [gedaagde] een schone lei kreeg, waardoor Univé meent dat de vordering weer opeisbaar is.

[gedaagde] voert verjaring aan, stellende dat Univé zich niet heeft gemeld in de WSNP en de vordering na beëindiging van de WSNP niet meer kan opeisen. De rechtbank beoordeelt het verweer als een beroep op verjaring en onderzoekt of de verjaringstermijn is verlengd op grond van artikel 36 lid 1 Faillissementswet Pro.

De rechtbank stelt vast dat Univé haar vordering niet ter verificatie heeft aangemeld en pas op 13 oktober 2020 tot betaling heeft aangeschreven. Zelfs uitgaande van het meest gunstige scenario voor Univé, is de vordering verjaard vóór deze aanmaning. De verjaringstermijn eindigt ruim vóór de aanmaningsdatum, ook met toepassing van de verlenging na WSNP-beëindiging.

Daarom wijst de rechtbank de vordering van Univé af en veroordeelt zij Univé in de proceskosten, die nihil worden begroot omdat [gedaagde] niet met een professionele gemachtigde procedeert.

Uitkomst: De vordering van Univé tot betaling van zorgpremies en zorgkostennota’s uit 2010 en 2011 wordt afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 9073183 \ CV EXPL 21-1142
Vonnis van 17 augustus 2021
in de zaak van
de naamloze vennootschap
N.V. UNIVÉ ZORG,
gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,
eisende partij, hierna te noemen Univé,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2021;
- de brief van [gedaagde] van 8 april 2021, aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de brief van [gedaagde] van 2 juli 2021, aangemerkt als conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekering afgesloten bij Univé. Op grond daarvan heeft [gedaagde] onder meer de verplichting om de premie voor de basisverzekering aan Univé te voldoen. Daarnaast moet [gedaagde] de zorgkostennota’s, waarin Univé het eigen risico in rekening brengt, aan Univé voldoen. [gedaagde] heeft in 2010 en 2011 een achterstand laten ontstaan in de betaling van de premies en de zorgkostennota’s.
2.2.
Op 9 juni 2015 is ten aanzien van [gedaagde] de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) uitgesproken. Bij vonnis van 7 februari 2019 van de rechtbank Midden-Nederland is de WSNP met toepassing van art. 350 lid 3 sub a Fw Pro (de vorderingen kunnen volledig worden voldaan, geen schone lei) beëindigd.

3.Het geschil

3.1.
Univé wil dat [gedaagde] de openstaande premies en zorgkostennota’s uit 2010 en 2011 alsnog betaalt, plus rente en kosten. Nu de schuldsanering is beëindigd, zijn de openstaande vorderingen weer opeisbaar geworden, aldus Univé. In deze procedure beperkt Univé de vordering tot € 500,00. Daarom vordert Univé dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, de proceskosten en de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert kort gezegd aan dat Univé zich had moeten melden in de WSNP. Dat heeft Univé nagelaten. De WSNP is al in 2019 beëindigd. Univé kan niet nu nog tot opeising van de vordering overgaan, aldus [gedaagde] .

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van [gedaagde] , waarbij hij nadrukkelijk een beroep doet op het wegvallen van Univé’s vorderingsrecht wegens het verstrijken van tijd, moet worden verstaan als een beroep op verjaring, zodat de kantonrechter dat verweer eerst heeft te beoordelen.
4.2.
De op 9 juni 2015 van kracht geworden WSNP-regeling was ingevolge het beëindigingsvonnis van toepassing tot 16 februari 2019, te weten de dag waarop de beroepstermijn tegen dat vonnis ongebruikt is verstreken.
4.3.
De kantonrechter stelt verder het volgende voorop.
Bij gebrek aan betwisting door Univé is tussen partijen komen vast te staan dat Univé haar vordering niet ter verificatie heeft aangemeld en voorts dat zij [gedaagde] na het eindigen van de WSNP pas op 13 oktober 2020 voor het eerst weer tot betaling heeft aangeschreven.
4.4.
Artikel 36 lid 1 Fw Pro bepaalt het volgende:
“Wanneer een verjaringstermijn betreffende een rechtsvordering, als bedoeld in artikel 26, zou aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan, loopt de termijn voort totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken.”
4.5.
De vordering bestaat uit premies en zorgkosten die dateren uit 2010 en 2011. Niet duidelijk is of Univé de verjaring in de periode tussen de factuurdata en het ingaan van de WSNP heeft gestuit, maar de kantonrechter wil gemakshalve wel aannemen dat de verjaringstermijn in ieder geval niet al vóór de WSNP-datum kan zijn volgelopen.
Uitgaande van het – voor Univé meest gunstige – geval dat zij de verjaring daags vóór de WSNP oftewel op 8 juni 2015 nog heeft gestuit, betekent dat dat de verjaringstermijn op
9 juni 2020 afliep. Dan blijft art. 36 Fw Pro buiten toepassing en is de conclusie dat de vordering ruim vóór de aanmaning van Univé van 13 oktober 2020 was verjaard.
Ook als de verjaringstermijn wèl binnen het in art. 36 Fw Pro bedoelde tijdvak zou eindigen kan dat Univé niet baten. In dat geval zou de verjaringstermijn immers zijn verlengd tot zes maanden na de beëindiging van de WSNP. En ook dan eindigt de termijn ruim vóór 13 oktober 2020.
Nu niet is gebleken dat Univé de verjaring voordien nog heeft gestuit, is de slotsom dat het beroep op verjaring slaagt.
4.6.
De vordering van Univé, en daarmee ook de nevenvorderingen, zullen gelet op het voorgaande worden afgewezen.
4.7.
Univé wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . Deze worden begroot op nihil, nu [gedaagde] niet met een professioneel gemachtigde procedeert.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt Univé in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2021. (SB)