Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[A],
wonende in [woonplaats] ,
wonende in [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een geschil tussen een stukadoorsbedrijf en een opdrachtgever over de betaling van de laatste factuur en een tegenvordering wegens gebrekkig werk. De werkzaamheden zijn verricht in een woning, waarbij een bedrag van € 20.500,- was afgesproken. De opdrachtgever betaalde € 10.500,- en hield de restbetaling op vanwege vermeende gebreken.
De aannemer vorderde betaling van de resterende € 10.977,95 inclusief incassokosten en rente. De opdrachtgever stelde dat het werk gebrekkig was en dat er sprake was van meerwerk zonder waarschuwing, en vorderde schadevergoeding en gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de aannemer onvoldoende had aangetoond dat hij voor meerwerk had gewaarschuwd, waardoor de meerwerkkosten van € 700,- werden afgewezen. Er was geen harde opleverdatum overeengekomen, zodat geen sprake was van verzuim door de aannemer. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de opdrachtgever de aannemer niet in gebreke had gesteld om herstel te verrichten.
De rechtbank veroordeelde de opdrachtgever tot betaling van € 10.000,- plus wettelijke rente en incassokosten. De overige posten op de factuur, waaronder kosten voor vernielde spullen en vuilnisafvoer, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De tegenvorderingen van de opdrachtgever werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De opdrachtgever wordt veroordeeld tot betaling van € 10.069,77 plus rente en incassokosten, terwijl de vorderingen tot schadevergoeding en ontbinding worden afgewezen.