Partijen zijn gehuwd geweest en bij een Turkse familierechtbank is op 11 mei 2016 een echtscheiding uitgesproken met een beschikking tot betaling van voorlopige partneralimentatie door de man aan de vrouw. Deze beschikking is in 2018 definitief bevestigd. De vrouw woont in Nederland en verzoekt de Nederlandse rechtbank om de Turkse alimentatiebeslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen, omdat de man in Turkije woont en niet aan de betalingsverplichting voldoet.
De rechtbank onderzoekt het toepasselijke internationale kader en stelt vast dat het Haags Alimentatieverdrag 2007 en het Haags Alimentatie Executieverdrag 1973 van toepassing zijn. Voor bedragen verschuldigd vanaf 1 februari 2017 geldt het 2007-verdrag, voor eerdere bedragen het 1973-verdrag. De rechtbank concludeert dat de Turkse rechter internationaal bevoegd was en dat geen gronden zijn om erkenning of tenuitvoerlegging te weigeren.
De voorzieningenrechter erkent de Turkse beslissing en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad voor de bedragen vanaf 1 februari 2017. Voor de bedragen die vóór die datum zijn verschuldigd, wordt de beslissing aangehouden tot een mondelinge behandeling, waarbij de man zal worden opgeroepen. De mondelinge behandeling is gepland op 19 januari 2022 in Almelo.