Art. 431 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 1 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Erkenning en vaststelling eenhoofdig gezag vader over minderjarige kinderen na Surinaamse voogdijbeschikking
De vader heeft bij de rechtbank Overijssel verzocht om erkenning van een voogdijbeschikking van de kantonrechter in Suriname, waarbij hij tot voogd over zijn minderjarige kinderen is benoemd. De kinderen zijn in Suriname geboren en erkend door de vader. De moeder heeft geen bezwaar tegen het verzoek en stemt in met het gezag van de vader in Nederland.
Suriname is geen partij bij internationale verdragen die erkenning van gezagsbeslissingen regelen, waardoor de Nederlandse rechter de beschikking moet erkennen op grond van artikel 431 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank oordeelt dat de Surinaamse rechter bevoegd was, de rechtspleging behoorlijk was en erkenning niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde.
De rechtbank verklaart dat de vader naar Nederlands recht het eenhoofdig gezag heeft over de kinderen, aangezien het Nederlandse rechtssysteem geen voogdij kent zoals in Suriname. De functie van toeziend voogd komt te vervallen. De beschikking wordt ingeschreven in het gezagsregister en is uitvoerbaar bij voorraad. De kosten van de procedure worden ieder voor eigen rekening gedragen.
Uitkomst: De rechtbank erkent de Surinaamse voogdijbeschikking en verklaart dat de vader het eenhoofdig gezag heeft over zijn minderjarige kinderen volgens Nederlands recht.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/268141 / FA RK 21-1659
beschikking van 18 oktober 2021
inzake
[verzoeker] ,
verder te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat: mr. B. Molenaar,
en
[belanghebbende 1] ,
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
zonder advocaat.
De rechtbank merkt tevens als belanghebbende aan:
[belanghebbende 2],
verder te noemen: [belanghebbende 2] ,
wonende te [woonplaats] .
Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de vader, met bijlagen, binnengekomen op 30 juni 2021;
- een op 13 juli 2021 binnengekomen emailbericht van mr. Molenaar van 13 juli 2021;
- een op 19 juli 2021 binnengekomen brief van mr. Molenaar van 16 juli 2021 met bijlagen;
- een op 9 september 2021 binnengekomen emailbericht van de moeder van 9 september 2021 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2021 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door mr. Molenaar, - [belanghebbende 2] , - [A] en [B] namens de raad voor de kinderbescherming, verder te noemen: de raad.
De moeder is gehoord via een skype-verbinding.
De feiten
Uit de moeder zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen:
[minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , Suriname.
[minderjarige 2]( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 1] , Suriname.
[minderjarige 1] is op [datum 1] (na geboorte) door de vader erkend.
[minderjarige 2] is [datum 1] voorafgaande aan de geboorte door de vader erkend.
Na de geboorte van de minderjarigen oefende de moeder naar Surinaams recht van rechtswege de voogdij uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo (Suriname) van 26 juni 2019 is de vader tot voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benoemd en is zijn huidige partner (inmiddels echtgenote) [belanghebbende 2] tot toeziend voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benoemd.
In het vonnis van de kantonrechter staat vermeld dat de moeder geen bezwaar had tegen het verzoek van de vader om hem en zijn partner te benoemen tot voogd respectievelijk toeziend voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Surinaamse nationaliteit. [belanghebbende 2] heeft de Nederlandse nationaliteit.
De vader en [belanghebbende 2] hebben sinds 2017 een onafgebroken /duurzame relatie met elkaar eerst in Suriname daarna in Nederland. Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woont de vader sinds [2019] in Nederland ( [woonplaats] ). Blijkens de BRP woont [belanghebbende 2] sinds [2019] weer in Nederland (eerst te [plaats] en sinds [datum 2] te [woonplaats] ).
De moeder woont in Suriname.
De vader en [belanghebbende 2] zijn op [2021] met elkaar gehuwd.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds [datum 3] in Nederland op het adres waar de vader en [belanghebbende 2] ook wonen. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend.
Het verzoek
De vader verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de vader (als ouder) naar Nederlands recht het eenhoofdig gezag heeft over zijn minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] (Suriname) en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 1] (Suriname),
kosten rechtens.
De vader stelt dat hij in Suriname met instemming van de moeder door de kantonrechter is belast met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zijn echtgenote [belanghebbende 2] met de toeziende voogdij met het doel om samen met zijn echtgenote de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland op zich te nemen. De vader acht het onvoldoende dat de Nederlandse rechter alleen overgaat tot erkenning van de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo (Suriname) van 26 juni 2019, waarbij hij tot voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is benoemd en zijn - inmiddels - echtgenote [belanghebbende 2] tot toeziend voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is benoemd, omdat de vader / erkenner in het Nederlandse rechtssysteem alleen met het gezag kan worden belast en niet met de voogdij en de toeziende voogdij in het Nederlandse rechtssysteem niet meer bestaat. Omdat de vader in Nederland bang is dat hij als verzorger / opvoeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de praktijk op problemen stuit wanneer hem als ouder toestemming wordt gevraagd voor gezag beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , stelt de vader belang te hebben bij een door de rechtbank te geven verklaring voor recht dat hij als ouder naar Nederlands recht alleen het gezag uitoefent over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft hij het voornemen om te zijner tijd een verzoek in te dienen om tezamen met [belanghebbende 2] te worden belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het standpunt van de moeder
De moeder heeft schriftelijk bij emailbericht van 9 september 2021 verklaard geen bezwaar te hebben tegen de erkenning van de voogdij in Nederland door de vader over de beide minderjarigen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard in te kunnen stemmen met het door de vader verzochte. Zij was en is akkoord dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit Suriname naar Nederland zijn verhuisd om daar in het vervolg door de vader en [belanghebbende 2] te worden verzorgd en opgevoed. Zij stemt ermee in dat de vader naar Nederlands recht met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt belast. Zij heeft verklaard te beseffen dat zij niets meer over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zeggen heeft.
Het standpunt van de moeder
Namens de raad is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de vader naar Nederlands recht wordt belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Iedereen is het eens met het verzoek en met het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door hun vader en [belanghebbende 2] in Nederland worden verzorgd en opgevoed. De raad vertrouwt erop dat alle betrokkenen in staat zijn om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en moeder in Suriname te onderhouden.
De beoordeling
De rechtbank zal eerst beoordelen of de beschikking van de (kanton)rechter in Suriname, waarbij onder meer de vader tot voogd is benoemd, voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.
Suriname is geen EU-lidstaat, is geen partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en is evenmin partij bij een ander Verdrag of een andere overeenkomst die de erkenning van gezagsbeslissingen in de verhouding met Nederland regelt. Om die reden kan op basis van de Surinaamse voogdijbeslissing geen aantekening worden gemaakt in het gezagsregister zonder erkenning van die beslissing door de Nederlandse rechter.
Ter beoordeling of de beschikking voor erkenning in aanmerking komt, moet worden bezien of de beschikking voldoet aan de op grond van artikel 431 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) in de jurisprudentie ontwikkelde voorwaarden: a. de buitenlandse rechter was op een internationaal aanvaarde grond bevoegd om kennis te nemen van de zaak,
b. de rechterlijke beslissing is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging en c. erkenning van de rechterlijke beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.
Bevoegde autoriteit
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de vader en [belanghebbende 2] hadden ten tijde van de Surinaamse voogdijbeslissing van 26 juni 2019 hun gewone verblijfplaats in Suriname. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten aanwezig om ter zake van de voogdij uit te gaan van internationale jurisdictie van een bevoegde autoriteit in Suriname. Als een dergelijke ter plaatse bevoegde autoriteit in Suriname kan kennelijk worden aangemerkt het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo, Suriname, dat op 26 juni 2019 de voogdijbeslissing heeft gegeven.
Behoorlijke rechtspleging
In het vonnis van de kantonrechter staat vermeld dat de moeder geen bezwaar heeft tegen het verzoek van de vader (in Suriname) om te bepalen dat de vader de moeder zal opvolgen in de voogdij en dat [belanghebbende 2] tot toeziend voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt benoemd met het oog op de emigratie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland, waar zij in het vervolg door de vader en [belanghebbende 2] zullen worden verzorgd en opgevoed. De moeder heeft in het kader van de mondelinge behandeling van de onderhavige procedure nogmaals, zowel schriftelijk als mondeling, verklaard dat zij achter het verzoek van de vader staat. Zij heeft tevens verklaard dat zij aanwezig was tijdens het verhoor door de kantonrechter te Suriname. Uit de stukken blijkt dat de kantonrechter bij zijn beoordeling van het namens de vader bij de kantonrechter ingediende verzoek heeft meegewogen het standpunt van het Bureau Familierechtelijke Zaken.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat aan de Surinaamse voogdijbeslissing een behoorlijk onderzoek is voorafgegaan en dat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgehad.
Strijd met de Nederlandse openbare orde
Uit de overgelegde stukken is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat erkenning van de voogdijbeslissing van de Surinaamse rechter in strijd is met de openbare orde.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de voogdijbeslissing voor erkenning vatbaar is.
Nu het Nederlandse rechtssysteem niet de figuur van ouder-voogd kent, is de rechtbank van oordeel dat de vader belang heeft bij een verklaring voor recht dat de vader kan worden geacht te zijn bekleed met een vorm van gezag, die overeenkomt met het één oudergezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens Nederlands recht.
De rechtbank overweegt dat de functie van [belanghebbende 2] van toeziend voogd van rechtswege eindigt, nu de toeziende voogdij in het Nederlandse rechtssysteem niet meer bestaat.
De rechtbank zal dan ook beslissen als na te melden.
Inschrijving in het gezagsregister
Op grond van artikel 1 vanPro het Besluit gezagsregisters is de griffier gehouden aantekening te maken van de rechtsfeiten die betrekking hebben op de gezagsuitoefening over minderjarigen in het bij elke rechtbank berustende openbaar register. De rechtbank zal beslissen als na te melden.
De proceskosten
Gelet op de status van verzoeker en belanghebbenden ten opzichte van elkaar, zal de rechtbank bepalen dat een ieder de eigen kosten draagt.
De beslissing
De rechtbank:
I. erkent de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gevestigd te Paramaribo, Suriname, van 26 juni 2019 waarin [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 2] , Suriname, is benoemd tot voogd over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , Suriname.
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 1] , Suriname;
II. verklaart voor recht dat de vader naar Nederlands recht het één oudergezag heeft over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
III. draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan:
- de griffier van het centraal gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
IV. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
V. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat een ieder de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Leeuwen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2021 in tegenwoordigheid van C. van Leeuwen, griffier.