Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten
3.De ontvankelijkheid
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Overijssel
Een 64-jarige vrouw, veroordeeld voor faillissementsfraude, verduistering en valsheid in geschrifte, maakte bezwaar tegen de afname en verwerking van haar DNA-celmateriaal in de DNA-databank. Zij stelde dat haar veroordeling onterecht was en dat het disproportioneel was om haar DNA af te nemen, mede omdat het vonnis nog in hoger beroep was.
De officier van justitie voerde aan dat het bevel tot DNA-afname proportioneel was en dat de wet verplicht tot afname bij een gevangenisstraf zoals opgelegd. De rechtbank stelde vast dat de uitzonderingsgronden in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, namelijk de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden, niet van toepassing waren.
De rechtbank motiveerde dat DNA-onderzoek ook bij financiële delicten zoals valsheid in geschrifte en verduistering nuttig kan zijn vanwege moderne opsporingstechnieken. Daarnaast was er geen reden om aan te nemen dat de veroordeelde geen recidivegevaar vormde. Daarom werd het bezwaar ongegrond verklaard en bleef het bevel tot DNA-afname en verwerking in de databank gehandhaafd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname en verwerking is ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname blijft gehandhaafd.