Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
De werknemer trad op 5 augustus 2020 in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 5 augustus 2021, zonder tussentijds opzegbeding. De werkgever beëindigde de onderneming per 1 februari 2021 vanwege diverse oorzaken, waaronder de coronapandemie, en stelde de werknemer per brief op de hoogte dat zij in februari niet hoefde te werken.
De werknemer vorderde doorbetaling van loon vanaf 1 april tot 5 augustus 2021, transitievergoeding, vakantiegeld en kosten, omdat de arbeidsovereenkomst formeel pas op 5 augustus 2021 eindigde. De werkgever stelde dat de onderneming was beëindigd en dat zij het loon over maart had betaald, maar financieel niet in staat was verder te betalen.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst sinds 1 februari 2021 inhoudsloos was en dat de loonvordering waarschijnlijk door de bodemrechter gematigd zal worden. De werknemer had vanaf 1 juni 2021 elders werk gevonden, wat als schadebeperking geldt. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van loon over april en mei 2021, transitievergoeding en buitengerechtelijke kosten, met wettelijke rente, en wees het overige af.
De procedurekosten werden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Werkgever moet loon over april en mei 2021, transitievergoeding en kosten betalen, overige vorderingen worden afgewezen.