Eiser, eigenaar van een perceel met een individueel behandelingssysteem afvalwater (IBA), kreeg een aanslag verontreinigingsheffing bedrijfsruimte opgelegd door het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn namens het Waterschap Zuiderzeeland. De rechtbank oordeelt dat de IBA geen zuiveringstechnisch werk of bedrijfsruimte is zoals bedoeld in de Waterwet en de Verordening verontreinigingsheffing. De aanslag is daarom op onjuiste grondslag opgelegd.
Wel is vastgesteld dat er sprake is van lozen van licht vervuild afvalwater op oppervlaktewater, wat een belastbaar feit vormt. De aanslag is correct gebaseerd op één vervuilingseenheid à € 61,50, passend bij de situatie van één woonruimte aangesloten op het IBA-systeem. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel door eiser faalt wegens onvoldoende bewijs van ongelijke behandeling.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.