Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
[onderbewindgestelde],
Rechtbank Overijssel
De onderbewindgestelde huurde een benedenwoning van eiseres vanaf 1 juli 2019. Partijen kwamen op 17 april 2021 overeen dat de huurovereenkomst per 1 september 2021 zou eindigen, met een tegemoetkoming van €3.400,-. De onderbewindgestelde en bewindvoerder zijn echter in gebreke gebleven en hebben de woning niet verlaten.
Eiseres vordert ontruiming van de woning, terwijl de onderbewindgestelde en bewindvoerder verweer voeren en een tegenvordering instellen tot terugbetaling van de waarborgsom en een bijdrage in verhuis- en inrichtingskosten. Zij beroepen zich op wederzijdse dwaling en misbruik van omstandigheden, en stellen dat ontruiming onaanvaardbaar is vanwege het ontbreken van passende woonruimte.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van dwaling of misbruik van omstandigheden, dat de onderbewindgestelde en bewindvoerder bewust hebben ingestemd met de beëindiging, en dat het belang van eiseres bij nakoming zwaarder weegt. De ontruiming wordt toegewezen met een termijn tot 1 december 2021. De tegenvorderingen worden afgewezen omdat de woning nog niet is ontruimd.
De kosten van de procedure worden aan de zijde van eiseres toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De onderbewindgestelde moet de benedenwoning uiterlijk 1 december 2021 ontruimen, met medewerking van de bewindvoerder.