Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Vonnis van 27 oktober 2021
[X] ,
De weergave van het procesverloop:
- proces-verbaal van getuigenverhoor op 16 maart 2021;
- proces-verbaal van getuigenverhoor op 31 maart 2021;
- proces-verbaal van getuigenverhoor op 20 april 2021:
- antwoordconclusie na enquête van Rabobank met een productie;
- akte uitlating producties van [X] .
De nadere beoordeling
In de hier aan de orde zijnde situatie kan naar het oordeel van de rechtbank alleen dan sprake zijn (geweest) van onrechtmatig handelen van Rabobank, als in rechte komt vast te staan dat die mee heeft gewerkt aan de totstandkoming van deze onderhandse verkoop van deze agrarische onderneming “going concern” in de wetenschap dat daardoor (al dan niet op onderdelen) een ontoelaatbare lage opbrengst zou worden gegenereerd, waardoor de gezamenlijke schuldeisers van [betrokkene 1] c.s. hoe dan ook werden benadeeld. Feitelijk zou dan sprake moeten zijn geweest van samenspanning (een “opzetje”) met de kopende partij, om die bewust te helpen aan een buitenkans door middel van een onderhandse verkoop “going concern” tegen een kenbaar veel te lage prijs van in totaal € 720.000,--. Van die samenspanning zou dan deel moeten hebben uitgemaakt dat de Rabobank bij dat meewerken wist dat zij alsnog (een deel van) de opbrengst van de onverpande fosfaatrechten zou verkrijgen, waarop zij dus in beginsel geen recht had via het door haar bepaalde bedrag voor het vrijgeven van haar zekerheden.
[A] , [betrokkene 3] , [C] , [D] en [E] als getuigen doen horen. Rabobank heeft afgezien van contra-enquête. Wel heeft zij een e-mailbericht van
[F] van 10 maart 2021 met bijlagen in het geding gebracht, waarop [X] heeft gereageerd. Na de getuigenverhoren heeft nog een conclusiewisseling plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om delen van de na de getuigenverhoren indiende conclusies wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten, zoals Rabobank heeft betoogd. De rechtbank dient met name te beoordelen of [X] is geslaagd in de levering van het bewijs, zoals onder overweging 21 van het vonnis van 4 november 2020 is bepaald.
4 november 2020 is de centrale vraag of uit de afgelegde getuigenverklaringen kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van een samenspanning (een “opzetje) met de kopende partij. Anders dan [X] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, is louter het bewijzen van een ontoelaatbare lage opbrengst niet genoeg om aan te nemen dat [X] is geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs. Uit de tekst van de bewijsopdracht en het begin van de derde zin daarvan volgt dat een te lage prijs slechts een onderdeel vormt van de te bewijzen samenspanning en geen zelfstandig te bewijzen feit is op basis waarvan de vordering in conventie zou kunnen worden afgewezen en de vordering in reconventie zou kunnen worden toegewezen.
[C] en [G] zijn gegaan via de heer [E] . [C] heeft verklaard dat hij nooit heeft gesproken met iemand van Rabobank. Alleen [E] heeft verklaard dat hij namens de heer [C] contact heeft gehad met Rabobank. Uit zijn verklaring blijkt echter slechts dat hij van [betrokkene 1] jr. hoorde dat Rabobank de boerderij met alles waar daarbij hoort wilde verkopen voor € 720.000,-- en dat hij Rabobank heeft bericht dat het door Rabobank eerder genoemde bedrag van € 720.000,-- akkoord was. Van andere, nadere afspraken die zouden kunnen duiden op een opzetje, blijkt uit zijn verklaring niets. Uit de verklaringen volgt niet meer of anders dan dat Rabobank bereid was om kort voor de veiling van de boerderij haar zekerheden prijs te geven tegen ontvangst van het door haar opgegeven bedrag van € 720.000,-- en dat daarover met name met [betrokkene 1] is gecommuniceerd.
- griffierecht € 656,--
- salaris advocaat
Rechtdoende:
[betrokkene 3] hoofdelijk te erkennen voor het bedrag van € 578.928,73,
n reconventie
€ 68,-- aan salaris advocaat, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,