Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
of omstreeks16 februari 2020 te Schüttorf,
althans in de Bondsrepubliek Duitsland,
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door:
(krachtig
)om/bij haar hals/keel vast te pakken en
/ofvast te houden en
/of (daarbij
)haar hals/keel dicht te drukken en
/ofdichtgedrukt te houden en
/of (vervolgens)
/of (vervolgens)die [slachtoffer]
één ofmeermalen in/tegen haar gezicht te slaan en
/ofvoorbij
iste
gegaan aan de verbale en
/ofnon-verbale signalen van
verzet en/ofweerstand van die [slachtoffer] en
/ofmisbruik heeft gemaakt van zijn fysieke
een of meerhandelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
(tong
)zoenen van die [slachtoffer] en/of
/of (vervolgens
) (zeer)krachtig te bijten in een tepel
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
.Over die volgens verdachte wederzijdse instemming zijn hem tijdens de zitting vragen gesteld. Hij heeft toen verklaard dat hij geen weerstand heeft gemerkt en geen signaal heeft vernomen dat het slachtoffer niet zou willen. Vanwege de ontkenning van verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheid voor een reclasseringstoezicht en kan de reclassering het recidiverisico niet inschatten. De reclassering ziet geen probleem op de leefgebieden en ziet beschermende factoren met name in verdachtes opleiding, werk en relatie met zijn familie. Verder blijkt uit het reclasseringsrapport dat de strafzaak een licht ontwrichtend gevolg heeft op het leven van verdachte en dat hij bij een gevangenisstraf zijn baan zal verliezen en waarschijnlijk zijn woning moet verkopen.
8.De schade van benadeelde
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
verkrachting;
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) maanden;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.130,-- (vijfduizendhonderddertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
[slachtoffer] vertelde mij over haar en [verdachte] en dat er dingen waren gebeurd. Ze vertelde dat ze hem had gepijpt. Ze vertelde ook dat ze last had van haar tepel. [slachtoffer] vertelde dat [verdachte] haar in de tepel had gebeten. Ze appte dat ze thuis was en dat ze last had van haar tepel en dat ze een wondje daar aan had en dat het wat bloedde. We hebben de dag erna nog geappt. Ze gaf in een app-gesprek aan dat ze zich niet fijn voelde bij wat er gebeurd was en dat ze zich niet fijn voelde. Toen zei [slachtoffer] dat zij het gevoel had dat als ze het niet zou doen er ergere dingen zouden gebeuren.