ECLI:NL:RBOVE:2021:4365
Rechtbank Overijssel
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering ondanks voorgeschiedenis
Verzoekers hebben sinds 2005 bijstandsuitkeringen ontvangen, maar deze werden in 2014 ingetrokken na onderzoek door Sociale Recherche. Na hernieuwde uitkering en een nieuw onderzoek naar vermeende onjuiste urenopgave, heeft verweerder de bijstand vanaf september 2019 ingetrokken en teruggevorderd. Verzoekers vroegen opnieuw bijstand aan, maar verweerder stelde als voorwaarde dat verzoeker niet aanwezig mocht zijn bij het bedrijf van zijn zoon, vanwege een oncontroleerbare werksituatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang voldoende is aangetoond, omdat verzoekers al sinds oktober 2020 geen bijstand ontvangen en financieel afhankelijk zijn van leningen van hun zoon. De rechtbank stelt dat de voorgeschiedenis geen rechtvaardiging biedt voor de verstrekkende voorwaarde dat verzoeker het bedrijf niet mag betreden, temeer omdat verzoeker vanwege gezondheidsredenen slechts beperkt kan werken en momenteel een ZW-uitkering ontvangt.
Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of een controleerbare situatie mogelijk is, bijvoorbeeld door het bijhouden van aanwezigheid en onderscheid tussen werk en privé. De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep kans van slagen heeft en beveelt dat verweerder vanaf 1 december 2021 bijstand verleent volgens de norm voor gehuwden, rekening houdend met inkomsten. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan verzoekers vergoed.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en bijstand wordt vanaf 1 december 2021 verleend.