Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
3.De bevoegdheid van de rechtbank
4.De ontvankelijkheid
5.De beoordeling
6.De beslissing
gegronden gelast de teruggave van € 42.200,= aan klager.
Rechtbank Overijssel
Klager verzocht om teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van €42.200, dat was aangetroffen in een auto tijdens een politiecontrole vanwege antecedenten van de bestuurder met betrekking tot de Opiumwet. De officier van justitie stelde dat het klaagschrift niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens gebrek aan nieuwe feiten en dat voortzetting van het beslag noodzakelijk was in het belang van de waarheidsvinding.
De raadkamer oordeelde dat sinds de eerdere beslissing in september 2020 geen aanvullend onderzoek door het Openbaar Ministerie was verricht en dat de stukken die klager overlegde, waaronder een schuldbekentenis en koopovereenkomst, aannemelijk maken dat klager rechthebbende is van het geldbedrag. Het vermoeden van witwassen was onvoldoende onderbouwd om het beslag te handhaven.
Gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure en het ontbreken van nieuwe feiten, verklaarde de raadkamer het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van het bedrag aan klager. De beslissing werd op 17 november 2021 in het openbaar uitgesproken door rechter B.W.M. Hendriks.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en de teruggave van €42.200 aan klager gelast.