4.3Het oordeel van de rechtbank
Aan verdachte is een zedendelict ten laste gelegd. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de (beweerde) seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Deze zedenzaak wijkt hiervan af. In dit geval zou het feit hebben plaatsgevonden in het bijzijn van [naam 1] .
Met betrekking tot het bewijsminimum
Op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De rechtbank benadrukt dat deze maatstaf omtrent het toereikend zijn van een verklaring dient te worden onderscheiden van de beoordeling of een verklaring betrouwbaar is. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Het gaat hierbij niet slechts – kwantitatief – om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook om de vraag of de aangifte in voldoende mate – kwalitatief – wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal.
De verklaring van aangeefster
In het dossier bevinden zich een verslag van het informatief gesprek zeden met aangeefster en haar aangifte. Aangeefster heeft in de aangifte onder andere verklaard dat zij de zaterdag voor Pasen (11 april 2020) op de bank en samen met [naam 1] , een film aan het kijken was. Dit was in de woning van verdachte. Rond 23:00 uur kwam verdachte tussen hen in zitten. Op een gegeven moment was [naam 1] verdachte aan ‘het opgeilen’ door over zijn broek, nabij zijn penis, te wrijven. Vervolgens heeft verdachte aan de benen van aangeefster getrokken. Ook trok hij de rok van aangeefster uit. Daarna heeft verdachte [naam 1] op de bank gevingerd. Dit duurde ongeveer twee minuten. Hierna heeft verdachte de string van aangeefster uitgetrokken en heeft hij haar gevingerd. Dit duurde ongeveer drie minuten. Aangeefster heeft verder verklaard dat zij verdachte heeft geprobeerd weg te duwen en dat zij direct na dit incident naar haar slaapkamer is gegaan. Verdachte is later die nacht nog bij haar geweest om over het voorval te praten. De volgende dag is aangeefster door [naam 1] naar huis gebracht.
De beschrijving van het incident en de omstandigheden waaronder het incident zouden hebben plaatsgevonden, verschillen in de aangifte en in het informatief gesprek zeden op essentiële onderdelen van elkaar. Zo heeft aangeefster in de aangifte verklaard dat, vóórdat verdachte haar vingerde, hij eerst [naam 1] heeft gevingerd. In het informatief gesprek zeden heeft aangeefster hierover echter niets verklaard. In de aangifte staat bovendien dat het vingeren van aangeefster door verdachte ongeveer drie minuten duurde, terwijl aangeefster in het informatie gesprek zeden heeft verklaard dat dit tien à vijftien minuten heeft geduurd. De aangifte komt daarnaast niet overeen met de inhoud van de WhatsApp berichten die aangeefster vóór de datum van de aangifte aan [naam 2] - de partner van haar vader - heeft verzonden. Aangeefster heeft geappt dat verdachte haar heeft ‘gebefd’, terwijl aangeefster over die specifieke seksuele handeling niets heeft verklaard. De rechtbank dient, mede gelet op die omstandigheden, behoedzaam om te gaan met de verklaring(en) van aangeefster.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft stellig en bij herhaling ontkend dat er seksuele handelingen tussen hem en aangeefster hebben plaatsgevonden.
Met betrekking tot het steunbewijs
Ter beoordeling van de rechtbank staat vervolgens de vraag of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in het verder in het dossier aanwezige bewijsmateriaal. Het voornaamste bewijsmateriaal wordt gevormd door de verklaring van getuige [naam 1] .
De verklaring van [naam 1]
De rechtbank constateert dat [naam 1] op essentiële punten anders heeft verklaard dan aangeefster. Zo heeft [naam 1] de verklaring van aangeefster dat zij verdachte de bewuste avond aan ‘het opgeilen’ was, bij de politie weersproken. Daarnaast heeft zij verklaard dat aangeefster zelf languit op de bank is gaan liggen en dat zij op enig moment zelf haar string heeft uitgedaan. [naam 1] heeft verder verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren in hoeverre verdachte haar op de desbetreffende avond heeft gevingerd. Ook heeft zij verklaard dat aangeefster twee dagen na het incident met de bus naar huis is gegaan.
Daarbij komt dat het dossier diverse WhatsApp (spraak)berichten bevat die de betrouwbaarheid van haar verklaring in twijfel trekken. Weliswaar heeft [naam 1] onder andere verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte de vagina van aangeefster heeft gestreeld, maar in die berichten wordt door [naam 1] gesproken over het willen ‘kapot maken’ van verdachte en het hebben ‘verzonnen’ van het aanraken van aangeefster door verdachte.
Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [naam 1] niet als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kan dienen.
Het overige bewijsmateriaal
[naam 3] , vriendin van aangeefster, heeft ook een verklaring afgelegd. Zij heeft onder andere verklaard dat aangeefster tegen haar heeft gezegd dat verdachte haar heeft ‘geprobeerd’ te vingeren. De rechtbank constateert dat die verklaring niet overeenkomt met de verklaring van aangeefster dat verdachte haar daadwerkelijk heeft gevingerd. Bovendien heeft deze de-auditu verklaring uitsluitend aangeefster als bron.
Ook is onderzoek gedaan naar de telefoons van zowel verdachte als aangeefster. Op de telefoon van aangeefster is onder andere een gesprek zichtbaar met ‘ [verdachte] ’ waarin laatstgenoemde aangeeft: “
je zal wel boos op me zijn weet wel loop al de hele week mee in kop”. Echter, niet kan, met enige mate van zekerheid, worden vastgesteld dat dit bericht enig verband houdt met hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Dat geldt in zekere zin ook voor de overige in het dossier aanwezige berichten.
De rechtbank acht het overige bewijsmateriaal daarom evenmin toereikend om als het benodigde steunbewijs te dienen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster, de verklaring van [naam 1] en de verklaring van [naam 3] als ook de WhatsAppberichten op essentiële onderdelen zo wezenlijk van elkaar verschillen of met elkaar in strijd zijn dat daarop geen bewezenverklaring kan worden gebaseerd. Daarom acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zodat de rechtbank verdachte hiervan vrijspreekt.