ECLI:NL:RBOVE:2021:4460
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen definitieve verlaging WW-uitkering wegens overschrijding vrijgestelde uren
Eiseres ontving een WW-uitkering met een vrijstelling voor gemiddeld 130,44 uur per maand als zelfstandige. In mei 2020 werkte zij 157 uur, meer dan het vrijgestelde aantal, waardoor haar uitkering definitief werd verlaagd. Eiseres voerde aan dat zij slechts één maand meer werkte vanwege de lockdown-einde en dat de coronamaatregelen niet werden meegewogen. Zij stelde dat het redelijk was om slechts over mei te korten en vroeg om een gemiddelde berekening.
Verweerder stelde dat de wet- en regelgeving dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijkingen of belangenafwegingen, ook niet bij bijzondere omstandigheden zoals de coronacrisis. De rechtbank oordeelde dat de regelgeving inderdaad dwingendrechtelijk is en dat de verlaging terecht is toegepast over de gehele periode na mei 2020.
De rechtbank verwees naar de wettelijke bepalingen in de WW die bepalen dat de hoedanigheid van werknemer per kalendermaand wordt beoordeeld en dat het fictieve inkomen niet kan afnemen in de maanden na het overschrijden van de vrijgestelde uren. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de uitkering definitief heeft verlaagd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de definitieve verlaging van haar WW-uitkering wegens overschrijding van het aantal vrijgestelde uren is ongegrond verklaard.