ECLI:NL:RBOVE:2021:4510

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
2 december 2021
Zaaknummer
08.056266.21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel

De rechtbank Overijssel behandelde op 18 november 2021 de vordering van de officier van justitie tot vaststelling en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die eerder is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke overtreding van de Opiumwet.

De vordering betrof een bedrag van €43.172,75, gebaseerd op een rapport van 11 oktober 2021 waarin het voordeel werd berekend over een periode van 441 kalenderdagen van 1 maart 2020 tot en met 17 mei 2021. De verdediging voerde aan dat de periode korter moest zijn en dat de verdeling tussen crack en snuifcocaïne anders moest worden vastgesteld, wat zou leiden tot een lager bedrag.

De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat de verdediging deze niet voldoende onderbouwde en omdat de voorgestelde verdeling juist tot een hoger bedrag zou leiden. Op basis van de wettige bewijsmiddelen achtte de rechtbank het rapport aannemelijk en stelde het bedrag van €43.172,75 vast als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens bepaalde de rechtbank de maximale duur van gijzeling die kan worden toegepast bij niet-betaling op 863 dagen. Het vonnis werd uitgesproken door voorzitter Van Rosmalen en rechters Monincx en Metgod, waarbij de laatste twee niet konden medeondertekenen.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €43.172,75 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.056266.21
Datum vonnis: 2 december 2021
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
nu verblijvende in de P.I. Zwolle.

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 43.172,75.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 18 november 2021. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat in Deventer, is op die terechtzitting op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie mr. M. Hoekstra zijn vordering gehandhaafd.
De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, gesteld dat zij ten aanzien van de berekening van het voordeel en de opgenomen posten geen opmerkingen heeft. De raadsvrouw staat op het standpunt dat het totaalbedrag verminderd moet worden, omdat zij meent dat van 261 kalenderdagen uitgegaan moet worden in plaats van 441 dagen. Het totaalbedrag komt volgens haar berekeningen neer op € 25.551,50.
De veroordeelde heeft tevens de verdeling tussen de crack en snuifcocaïne aangescherpt. Volgens hem moet worden uitgegaan van een verdeling van 75/25 of van 80/20.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 2 december 2021 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering
samenhangende strafdossier en het in de onderhavige zaak opgemaakte rapport berekening
wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 oktober 2021 (hierna: het rapport).
De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat bewezen is verklaard in het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank. De periode die de rechtbank in haar vonnis bewezen heeft verklaard, is 1 maart 2020 tot en met 17 mei 2021. De rechtbank gaat uit van 441 kalenderdagen. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem verkochte cocaïne en de rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van dat voordeel. De rechtbank acht de berekening in het rapport aannemelijk en zal deze dan ook volgen. De rechtbank gaat niet uit van de door de veroordeelde aangescherpte verdeling tussen crack en snuifcocaïne. Deze stelling is niet nader onderbouwd en is niet in het voordeel, maar juist in het nadeel van de veroordeelde. De 80-20 verdeling levert namelijk een hoger te ontnemen bedrag op, te weten € 57.042,75.
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 43.172,75.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 43.172,75.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde
  • legt de veroordeelde de
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 863 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.K van Rosmalen, voorzitter, mr. N.J.C. Monincx en A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.
Mr. N.J.C. Monincx en mr. A.S. Metgod zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.