Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
(primair), dan wel, [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld
(subsidiair), dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen
(meer subsidiair);
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
(vanwege het ontbreken van de pagina, ongedateerde)proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van [verbalisant] . [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] (pag. 744):
(vanwege het ontbreken van de pagina, ongedateerde)proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] (pag. 726-757);
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
medeplegen van poging tot doodslag;
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie II en III, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
medeplegen van poging tot doodslag;
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroof houden;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III;
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) jaren;