In deze kort geding procedure vordert de huurder schorsing van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis tot ontruiming van haar woning en herstel van gebreken. De huurder stelt slachtoffer te zijn van de toeslagenaffaire en beroept zich op misbruik van bevoegdheid bij ontruiming.
De verhuurder voert aan dat het verstekvonnis rechtsgeldig is en dat hij een redelijk belang heeft bij ontruiming vanwege huurachterstand en doorlopende kosten. De verhuurder betwist de gebreken en stelt dat de huurder zelf verantwoordelijk is voor eventuele schade.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het verstekvonnis en geen acute noodtoestand is ontstaan na het vonnis. Wel blijkt uit de gedragingen van partijen dat de huurovereenkomst ondanks het verstekvonnis is voortgezet, wat nader onderzocht moet worden in een bodemprocedure.
Daarom wordt de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis geschorst tot 1 juli 2022 om partijen ruimte te geven voor een bodemprocedure of minnelijke regeling. Tevens wordt de verhuurder verplicht de woning binnen een maand te herstellen en de huurder toegang te verlenen, met dwangsommen bij niet-naleving. Een voorschot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.