Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten
3.De ontvankelijkheid
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Overijssel
De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-celmateriaal in de DNA-databank, naar aanleiding van een veroordeling voor medeplegen van niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De rechtbank nam kennis van de strafzaak en de schriftelijke conclusies van de officier van justitie.
De raadkamer behandelde het bezwaar op een niet-openbare zitting, waarbij zowel de officier van justitie als de gemachtigde van de veroordeelde werden gehoord. De veroordeelde voerde aan dat DNA-onderzoek bij haar misdrijven geen rol speelt en dat zij niet eerder met justitie in aanraking was geweest, waardoor een uitzondering op de DNA-afnameplicht zou moeten gelden.
De officier van justitie stelde dat het bevel tot DNA-afname gerechtvaardigd was, mede gezien de aard van de misdrijven en de mogelijkheid dat DNA-sporen op documenten of gegevensdragers kunnen voorkomen. De raadkamer oordeelde dat de uitzonderingsgronden van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, namelijk de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden, niet van toepassing zijn. De afname en verwerking van DNA-celmateriaal zijn proportioneel en noodzakelijk voor opsporing en vervolging.
Daarom werd het bezwaar ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname gehandhaafd. De beschikking werd op 24 december 2021 in het openbaar uitgesproken door rechter G.H. Meijer.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afname en verwerking van DNA-celmateriaal is ongegrond verklaard en het bevel gehandhaafd.