ECLI:NL:RBOVE:2021:5041

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 februari 2021
Publicatiedatum
14 april 2023
Zaaknummer
08/114276-19 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 175 WVWArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor veroorzaken verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel

Op 5 oktober 2018 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval in Hengelo waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte reed met onverminderde snelheid een kruising op zonder voorrang te verlenen, wat leidde tot een aanrijding met een bromfiets van rechts komende bestuurder die ten val kwam.

De rechtbank stelde vast dat verdachte de verkeersregels had overtreden door onvoldoende te letten op naderend verkeer en niet tijdig te remmen, waardoor hij schuld had aan het ongeval. Het slachtoffer liep ernstig schedelhersenletsel en een gebroken pols op, met langdurige revalidatie tot gevolg.

Verdachte bekende het feit en de verdediging erkende de bewezenverklaring. De rechtbank achtte het bewezenverklaarde strafbaar als overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het letsel, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, diens eerdere onbesproken gedrag, en de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank legde een taakstraf van 100 uren op, met een vervangende hechtenis van 50 dagen bij niet-nakoming, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit oordeel is gebaseerd op de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de omstandigheden van de zaak.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Overijssel te Almelo op 12 februari 2021.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 100 uur taakstraf en 6 maanden rijontzegging wegens veroorzaken verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/114276-19 (P)
Datum vonnis: 12 februari 2021
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 januari 2021.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E. Agelink en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. S. Yaprak, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een bromfiets een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 5 oktober 2018 te Hengelo (O), in de gemeente Hengelo (O), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Petroleumhavenstraat en de Aardoliestraat, daarmee rijdende over de weg, de Aardoliestraat,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bromfiets) op zodanige wijze heeft geregeld, dat hij verdachte in staat was dat motorrijtuig (bromfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Aardoliestraat) en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft vergewist of over die Petroleumhavenstraat of over die kruising verkeer naderde en/of
die kruising zonder te remmen en/of met onverminderde snelheid is op- en overgereden en/of in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 van Pro voormeld reglement, op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een over die Petroleumhavenstraat rijdende, gelet op verdachtes rijrichting, van rechts komende en/of toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (bromfiets) en/of
gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met dat voor hem, verdachte van rechts komende, toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (bromfiets) en/of de bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets), ten gevolge waarvan die bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets) ten val is gekomen
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 oktober 2018 te Hengelo (O), in de gemeente Hengelo (O), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Petroleumhavenstraat en de Aardoliestraat, daarmee heeft gereden over de weg, de Aardoliestraat en
in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bromfiets) op zodanige wijze heeft geregeld, dat hij verdachte in staat was dat motorrijtuig (bromfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Aardoliestraat) en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
die kruising zonder te remmen en/of met onverminderde snelheid is op- en overgereden en/of in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 van Pro voormeld reglement, op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een over die Petroleumhavenstraat rijdende, gelet op verdachtes
rijrichting, van rechts komende en/of toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (bromfiets) en/of
gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met dat voor hem, verdachte van rechts komende, toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (bromfiets) en/of de bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets), ten gevolge waarvan die bestuurder van dat andere
motorrijtuig (bromfiets) ten val is gekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsoverwegingen

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden, als gevolg waarvan sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld aan de aanrijding in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De verdachte heeft door zijn rijgedrag een ongeval veroorzaakt waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het primair ten laste gelegde kan volgens de officier van justitie dan ook bewezen worden verklaard.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman acht eveneens het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage van dit vonnis.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de op hem rustende plicht om de verkeersregels na te leven geschonden door, niet de snelheid van de door hem bestuurde bromfiets zodanig te regelen dat hij in staat was de bromfiets tijdig tot stilstand te brengen, in onvoldoende mate te letten en te blijven letten op de voor hem gelegen kruising en het van rechts naderend verkeer, met onverminderde snelheid over de kruising te rijden en geen voorrang te verlenen, waardoor hij in aanrijding is gekomen met de van rechts komende bromfiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die bromfiets ten val is gekomen.
Het geheel aan gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden overziende, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen merkt de rechtbank het rijgedrag van de verdachte, in de hiervoor geschetste feitelijke situatie, aan als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.
Het letsel dat door het slachtoffer is opgelopen, is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Het slachtoffer heeft namelijk ernstig traumatisch schedelhersenletsel opgelopen waaraan hij meerdere malen is geopereerd en daarnaast is zijn pols gebroken. Verder heeft het slachtoffer gedurende een langere tijd moeten revalideren als gevolg van het schedelhersenletsel.
De rechtbank is aldus van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is op de manier waarop het onder de bewezenverklaring is opgenomen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 oktober 2018 te Hengelo (O), in de gemeente Hengelo (O), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Petroleumhavenstraat en de Aardoliestraat, daarmee rijdende over de weg, de Aardoliestraat,
aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bromfiets) op zodanige wijze heeft geregeld, dat hij verdachte in staat was dat motorrijtuig (bromfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Aardoliestraat) en die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en
in onvoldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken en zich in onvoldoende mate heeft vergewist of over die Petroleumhavenstraat of over die kruising verkeer naderde en
die kruising met onverminderde snelheid is op- en overgereden en in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 van Pro voormeld reglement, op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een over die Petroleumhavenstraat rijdende, gelet op verdachtes rijrichting, van rechts komende en toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (bromfiets) en
in aanrijding is gekomen, met dat voor hem, verdachte van rechts komende, toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (bromfiets) en de bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets), ten gevolge waarvan die bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets) ten val is gekomen
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en
welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 WVW Pro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop. De gevorderde taakstraf is te fors en dient gematigd te worden in die zin, dat de helft voorwaardelijk opgelegd dient te worden.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Verdachte is op zijn bromfiets met onverminderde snelheid en zonder goed te kijken een kruising opgereden en heeft daarbij aan het van rechts komende slachtoffer, eveneens rijdend op een bromfiets, geen voorrang verleend, waardoor er een aanrijding heeft plaatsgevonden. Het slachtoffer is daardoor ten val gekomen en ernstig gewond geraakt. Hij heeft schedelhersenletsel opgelopen en heeft daarvan gedurende lange tijd moeten herstellen. Dat het ongeval grote gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer blijkt uit het medische stuk van het ziekenhuis, de bevindingen van de politie en de verklaringen van de vader van het slachtoffer over het herstel en revalidatietraject.
Bij de berechting van een zaak heeft onder normale omstandigheden als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De verdachte is op
6 oktober 2018 door de politie gehoord. Op deze datum is de redelijke termijn in deze zaak aangevangen. Tussen de datum van verhoor en de datum van dit vonnis ligt een periode van ruim 2 jaar en 4 maanden. Met deze schending van de redelijke termijn voor berechting zal de rechtbank rekening houden bij de strafoplegging.
Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen. Verdachte heeft verder ter zitting aangegeven het gebeurde zeer te betreuren. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor een ongeval als het onderhavige, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en zwaar lichamelijk letsel, geeft het LOVS als oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk.
De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om met betrekking tot de strafmaat af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS.
Alles afwegende acht de rechtbank de geëiste straf, te weten een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij niet naar behoren te verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 178 en 179 WVW.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het primair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

  • veroordeelt verdachte tot een
  • beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
  • veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van
- bepaalt dat van deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen een gedeelte van
3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2021.
Buiten staat
Mr. Rikken is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018449558. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2021, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte;
2.
Het proces-verbaal aanrijding misdrijf van verbalisant [verbalisant] , van 10 januari 2019, pagina’s 4 t/m 8, voor zover inhoudende, het relaas van verbalisant;
3.
Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking uitkijken camerabeelden, van verbalisant [verbalisant] , van 25 oktober 2018, pagina’s 17 t/m 19, voor zover inhoudende, de bevindingen van verbalisant;
4.
Een schriftelijk bescheid zijnde, overzichtsfoto’s van de kruising Aardoliestraat/Petroleumhavenstraat, pagina’s 35 t/m 42;
5.
Een schriftelijk bescheid zijnde, medische informatie betreffende [slachtoffer] , van het Medisch Centrum Twente, van 2 november 2018, pagina 32, voor zover inhoudende de bevindingen van de arts;
6.
Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het herstel van [slachtoffer] , van verbalisant [verbalisant] , van 17 januari 2020, voor zover inhoudende, de bevindingen van verbalisant.