Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2022:1269

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 maart 2022
Publicatiedatum
9 mei 2022
Zaaknummer
C/08/264056 / FA RK 21-892
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:253t BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot stiefouderadoptie wegens behoud biologische vaderrelatie

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van de stiefvader om een minderjarige te adopteren en haar geslachtsnaam te wijzigen. De stiefvader speelt een grote rol in het leven van het kind en wil de juridische band formaliseren. De biologische vader spreekt het verzoek tegen en wenst ondanks zijn huidige afwezigheid een rol te behouden.

De rechtbank overwoog dat adoptie een ingrijpende maatregel is die de familierechtelijke band tussen het kind en de biologische vader beëindigt. Hoewel de vader momenteel geen actieve rol heeft, heeft hij de intentie om deel uit te maken van het leven van het kind en heeft hij via procedures geprobeerd omgang te realiseren. De rechtbank concludeerde dat niet kan worden vastgesteld dat het kind niets meer van de vader te verwachten heeft.

De raad voor de kinderbescherming onderschreef dit standpunt en zag geen zwaarwegend belang voor adoptie. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet in het kennelijk belang van het kind is en dat de wettelijke voorwaarden, waaronder het ouderlijk vetorecht, niet zijn vervallen. Minder ingrijpende maatregelen zoals gezamenlijk gezag en geslachtsnaamwijziging zijn mogelijk.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot stiefouderadoptie en naamswijziging af.

Uitkomst: Het verzoek tot stiefouderadoptie en naamswijziging wordt afgewezen omdat de biologische vader nog een rol wenst te behouden en adoptie niet in het belang van het kind is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/264056 / FA RK 21-892
beschikking van 14 maart 2022
inzake
[verzoeker],
verder te noemen: de stiefvader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers.
verzoeker,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1],
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
en
[belanghebbende 2],
verder te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.J.A.M. Gloudi.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende (proces)stukken:
  • het verzoekschrift, binnengekomen op 26 maart 2021;
  • een F9-bericht van mr. Plantema-Volkers, binnengekomen op 8 april 2021, met bijlage;
- een op 12 april 2021 binnengekomen brief van de raad voor de kinderbescherming, hierna als de raad aangeduid, van 9 april 2021;
- een op 27 september 2021 binnengekomen rapport van de raad van 23 september 2021;
- een op 11 oktober 2021 binnengekomen F9-bericht van mr. Plantema-Volkers;
- een op 26 januari 2022 binnengekomen brief met bijlage (pleitnota) van mr. Gloudi.
1.2.
De zaak is (online via Teams) behandeld ter zitting met gesloten deuren op 27 januari 2022.
Verschenen zijn:
  • de stiefvader, bijgestaan door mr. Plantema,
  • de moeder,
  • de vader, bijgestaan door mr. Gloudi,
  • [A] , namens de raad.

2.De feiten

2.1.
Verzoeker is geboren [1987] in [geboorteplaats] .
2.2.
De vader en de moeder zijn [2013] te [plaats] met elkaar gehuwd.
2.3.
[2015] is te [geboorteplaats] geboren
[minderjarige], als dochter van de vader en de moeder.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van [2016] is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken. De echtscheiding is op [2016] ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.5.
De vader en de moeder hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door hen beiden op 7 en 15 januari 2015 ondertekende ouderschapsplan.
2.6.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 17 maart 2017 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot 17 maart 2018. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 12 maart 2019 tot 17 maart 2020.
2.7.
Uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) volgt dat de stiefvader, de moeder en [minderjarige] sinds [2015] op hetzelfde woonadres staan ingeschreven.
2.8.
De stiefvader en de moeder zijn [2021] met elkaar gehuwd.
2.9.
De moeder oefent blijkens de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 juli 2019 met ingang van die datum alleen het gezag uit over [minderjarige] .
2.10.
De moeder, de vader, de stiefvader en [minderjarige] hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De stiefvader heeft de rechtbank verzocht de adoptie van [minderjarige] door hem uit te spreken en te bepalen dat [minderjarige] na de adoptie de geslachtsnaam “ [X] ” zal hebben.
3.2.
De stiefvader stelt daartoe dat de adoptie in het kennelijke belang van [minderjarige] is, aangezien momenteel vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van de vader in de hoedanigheid van vader te verwachten heeft.

4.De standpunten van de belanghebbenden

De moeder
4.1.
De moeder stemt in met het verzoek tot adoptie en de naamswijziging. Zij vindt dit het beste voor [minderjarige] . Het is een sterke wens van [minderjarige] . [minderjarige] is ondanks haar jonge leeftijd goed op de hoogte van de situatie en haar wens is dat de stiefvader haar echte papa wordt en dat zij zijn naam krijgt. Daarnaast is de vrouw ziek en wil zij het juridisch graag geregeld hebben, voor het geval zij er niet meer zal zijn.
De vader
4.2.
De vader heeft verweer gevoerd. Hij is het niet eens met het verzoek dat de stiefvader
[minderjarige] wil adopteren en met de geslachtsnaamwijziging. Het staat in het geheel niet vast dat [minderjarige] in de toekomst niets meer van hem te verwachten heeft. De vader wil nadrukkelijk nog een rol in het leven van [minderjarige] spelen, maar hij wordt uitgesloten. De vader vindt de adoptie voorts niet in het kennelijk belang van [minderjarige] . De huidige situatie is voornamelijk het resultaat van de handelswijze van de moeder en de stiefvader gaat daar in mee. Adoptie is een te vergaande maatregel. Ook omdat de vader het verzoek tegenspreekt is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor adoptie.

5.Het standpunt van de raad

5.1.
De raad acht het niet in het belang van [minderjarige] dat de adoptie wordt uitgesproken. De stiefvader en de moeder hebben de overtuiging dat [minderjarige] niets meer van de vader kan verwachten, maar uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat de vader er wel voor haar wil zijn. Hij vindt haar belangrijk en hij mist haar. De vader legt zich erbij neer dat hij geen omgang en gezag heeft, maar zijn deur staat altijd voor [minderjarige] open. Zijn wens is om het contact met haar te herstellen. Gesteld kan worden dat [minderjarige] drie ouderfiguren in haar leven heeft en zij zijn ieder op hun eigen manier onderdeel van [minderjarige] haar leven en hebben een eigen plek in haar roots, geschiedenis en dagelijks leven. Zij zijn daarmee alle drie een deel van haar identiteit. Er kan bovendien niet aan de bezwaren van de vader voorbij gegaan worden. De raad ziet geen zwaarwegend belang voor stiefouderadoptie. Adoptie is in dit geval niet in het kennelijk belang van [minderjarige] .

6.De beoordeling van de zaak en de motivering van de beslissing

Ten aanzien van de adoptie
6.1.
De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de artikel 1:227 en Pro 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.2.
De wettelijk voorgeschreven bewijsstukken zijn - voor zover mogelijk - bij het verzoek overgelegd.
De ontvankelijkheid
6.3.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de stiefvader meer dan drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met de moeder heeft samengeleefd. De stiefvader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek tot adoptie (artikel 1:227 lid 2 BW Pro).
Het wettelijk kader
6.4.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat bestaande familiebanden in beginsel onverbrekelijk zijn. Adoptie is hierop een uitzondering, waarbij echter strikte voorwaarden gelden. Dit geldt temeer, omdat adoptie het ingrijpende gevolg heeft dat daarmee de tussen de ouder en het kind bestaande familierechtelijke betrekkingen worden beëindigd. Hierbij dient niet alleen te worden gelet op de positie die het kind door de adoptie verkrijgt, maar ook en niet minder, op hetgeen het kind verliest (de familierechtelijke band met zijn wettige en in casu biologische vader). De rechtbank stelt voorop dat het vaste jurisprudentie is dat in echtscheidingssituaties in beginsel grote terughoudendheid bij stiefouderadopties dient te worden betracht.
6.5.
Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW Pro
kaneen adoptieverzoek alleen worden toegewezen, indien dit in het kennelijk belang is van het kind, het kind in de toekomst redelijkerwijs niets meer te verwachten heeft van de ouder in de hoedanigheid van ouder en aan alle voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW Pro wordt voldaan.
6.6.
Uit artikel 1:228 BW Pro volgt voorts dat de voorwaarden voor adoptie - voor zover hier van belang – zijn, dat:
het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;
het kind geen kleinkind van de adoptant is;
de adoptant ten minste achttien jaar ouder dan het kind is;
geen der ouders het verzoek tegenspreekt;
de minderjarige moeder van het kind zestien jaar of ouder is;
de adoptant het kind gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden;
de ouder niet langer het gezag over het kind heeft. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.
6.7.
Uit lid 2 van dit artikel volgt dat aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d,
kanworden voorbijgegaan indien:
het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of
de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of
de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.
De beoordeling
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de stiefvader om [minderjarige] te adopteren moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
6.9.
Vast is komen te staan dat de vader en de moeder in mei/juni 2015 uit elkaar zijn gegaan. [minderjarige] was toen vijf maanden oud. Stiefvader speelt in ieder geval vanaf augustus 2015 een grote rol in het leven van [minderjarige] . Hij heeft haar verzorging en opvoeding samen met de moeder op zich genomen. [minderjarige] beschouwt stiefvader als haar vader en zij zou herhaaldelijk de wens hebben geuit dat stiefvader ook haar echte vader wordt. Moeder en stiefvader wensen eveneens dat de band tussen [minderjarige] en stiefvader juridisch wordt geformaliseerd. [minderjarige] en stiefvader hebben onderling een goede band. Hier staat tegenover dat de vader het verzoek tot adoptie tegenspreekt. [minderjarige] is en blijft zijn dochter en de deur staat nu en in de toekomst voor haar open. De vader hoopt dat [minderjarige] hem ooit opzoekt. De vader heeft zich erbij neergelegd dat hij op dit moment geen actieve rol heeft in het leven van [minderjarige] . De vader heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook de intentie (gehad) een band met [minderjarige] op te bouwen. Hij heeft ook via gerechtelijke procedures geprobeerd een omgangsregeling tot stand te brengen, maar hij heeft uiteindelijk de keuze gemaakt om het contact niet langer af te dwingen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de vader en [minderjarige] thans feitelijk geen band hebben met elkaar. De vader wenst echter nog altijd deel uit te maken van het leven van [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat [minderjarige] niets meer van de vader in zijn hoedanigheid van ouder heeft te verwachten.
6.10.
De rechtbank acht het op dit moment ook niet in het kennelijk belang van [minderjarige] dat de adoptie door stiefvader wordt uitgesproken. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is adoptie, waarbij de juridische band tussen [minderjarige] en haar vader wordt doorgesneden, te verstrekkend om het doel van het verzoek te realiseren (namelijk bestendiging van de feitelijke band tussen [minderjarige] en haar stiefvader.
6.11.
Hierbij is eveneens van belang dat de vader het verzoek tot adoptie tegenspreekt, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde, zoals deze is gesteld in artikel 1:228 lid 1 onder Pro d BW.
6.12.
De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om voorbij te gaan aan het ouderlijk vetorecht van de vader. Hierbij merkt de rechtbank allereerst op dat dit een bevoegdheid is van de rechtbank en geen verplichting. Ook als voldaan is aan voormelde mogelijkheden kan de rechter beslissen niet aan de tegenspraak van de ouders(s) voorbij te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval aan de onder 1:228 lid 2 genoemde voorwaarden b en c niet voldaan. Niet gebleken is dat de vader zijn gezag over [minderjarige] heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding op grove wijze heeft verwaarloosd dan wel onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen [minderjarige] van een van de in dit artikel omschreven misdrijven. Het enkele feit dat contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, ondanks de ondertoezichtstelling, de inzet van Vitree én de schriftelijke aanwijzing van de jeugdbeschermer niet is gelukt, doet hieraan niet af. Hoewel [minderjarige] maar ongeveer vijf maanden in gezinsverband met vader geleefd, is ook dit geen reden voor de rechtbank om onder de gegeven omstandigheden aan de tegenspraak van de vader voorbij te gaan.
6.13.
De rechtbank is bovendien niet gebleken dat de vader misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tegenspraak.
Niet gebleken is dat de vader zijn bevoegdheid enkel gebruikt om een ander te schaden, dat hij geen enkel te respecteren belang nastreeft of dat hij, het door hem gestelde belang en het belang van de stiefvader, de moeder en [minderjarige] bij de adoptie in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn recht op tegenspraak heeft kunnen komen.
6.14.
Verder weegt voor de rechtbank mee dat (ook) met minder ingrijpende maatregelen de belangen van [minderjarige] kunnen worden gediend, bijvoorbeeld door het indienen van een verzoek tot gezamenlijk gezag en geslachtsnaamwijziging als bedoeld in artikel 1:253t BW. Die maatregel is minder verstrekkend dan adoptie doordat de familierechtelijke band tussen de vader en [minderjarige] - in tegenstelling tot wat het geval is bij adoptie - niet definitief wordt verbroken. Dit verzoek ligt thans niet voor. Ook is het mogelijk om bij testament voogdij te regelen en/of deze wens in te (laten) schrijven in het gezagsregister.
Ten aanzien van de geslachtsnaam van [minderjarige]
6.15.
Omdat het verzoek tot stiefouderadoptie wordt afgewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van het verzoek met betrekking tot de geslachtsnaam niet toe.

7.Beslissing

De rechtbank:
7.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Jongebreur en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2022 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.