Eiser heeft bijstand aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder over de hoogte van het fictieve uurloon voor zijn deejay-activiteiten, de inhouding op zijn uitkering ter aflossing van een schuld, en de afwijzing van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat het fictieve uurloon van € 50,- per uur voldoende was gemotiveerd en dat de verrekening van de openstaande schuld terecht was zolang hoger beroep tegen eerdere uitspraken loopt.
De rechtbank stelde echter vast dat verweerder ten onrechte een bedrag van € 902,- aan proceskosten en griffierecht in mindering had gebracht op de openstaande vordering, omdat de werking van de uitspraak waarbij die kosten werden toegekend was opgeschort door het ingestelde hoger beroep. Ook was niet gebleken dat de bijzondere bijstand als leenbijstand was verleend, zodat deze niet in mindering mocht worden gebracht.
Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit voor zover het ging om deze verrekening, veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518,- en tot vergoeding van het griffierecht van € 49,-. Voor het overige bleef het besluit in stand.