Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
gevestigd te Nieuwleusen,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een geschil tussen woonstichting Vechthorst en een huurder over niet-betaalde huur van november 2021. Vechthorst vordert betaling van de achterstallige huur, incassokosten, wettelijke rente en toekomstige huurtermijnen vanaf 1 februari 2022.
De huurder erkent de achterstand en betaalt maandelijks € 60,00 om deze in te lopen, maar kan niet ineens het volledige bedrag voldoen. De kantonrechter oordeelt dat de huurder niet zelf kan bepalen in termijnen te betalen en dat Vechthorst gerechtigd is betaling ineens te eisen. De beslagvrije voet is irrelevant voor de vordering tot betaling.
De rechtbank veroordeelt de huurder tot betaling van het resterende bedrag van € 447,99 plus incassokosten van € 113,98 en wettelijke rente vanaf dagvaarding. De vordering voor toekomstige huurtermijnen wordt afgewezen omdat deze nog niet opeisbaar waren. Proceskosten worden deels toegewezen en verminderd op grond van artikel 237 lid 5 Rv Pro.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van resterende huurachterstand, incassokosten en wettelijke rente, maar niet tot betaling van toekomstige huurtermijnen.