Eiseres huurt sinds augustus 2020 een zelfstandige woning en heeft met gedaagde een affectieve relatie gehad, waarbij zij samenwoonden met hun dochter. Na een incident in april 2022 heeft eiseres de woning samen met hun dochter verlaten, waarna gedaagde alleen in de woning bleef verblijven.
Eiseres vordert dat gedaagde wordt veroordeeld de woning te verlaten en het gehuurde ter beschikking te stellen, omdat het huurrecht uitsluitend aan haar toekomt. Gedaagde erkent dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft, maar verzoekt om een langere ontruimingstermijn van zes weken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde al sinds het vertrek van eiseres wist dat hij de woning moest verlaten en voldoende tijd heeft gehad om vervangende woonruimte te zoeken. Daarom wordt gedaagde veroordeeld om binnen zeven dagen de woning te verlaten, met een verbod om zonder toestemming terug te keren, onder verbeurte van een dwangsom. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.