Eiser is eigenaar van een perceel nabij de Geldersche IJssel waar een bootje zonder ontheffing aan een steiger was afgemeerd. Verweerder, de minister van Infrastructuur en Waterstaat, legde eiser een last onder dwangsom op om het bootje te verwijderen wegens overtreding van artikel 9.03 van het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr).
Eiser voerde aan dat het ligplaatsverbod niet op zijn situatie van toepassing was, dat hij rechten had uit de notariële leveringsakte en dat er sprake was van gelijkheidsbeginsel vanwege andere bootjes die wel mochten liggen. Ook stelde hij dat het aanvragen van een ontheffing technisch onmogelijk was en dat er zicht was op legalisatie.
De rechtbank oordeelde dat het ligplaatsverbod onverkort geldt voor de Geldersche IJssel, dat eiser geen ontheffing had aangevraagd en dat het ontbreken van een aanvraag hem niet vrijwaart. De rechten uit de leveringsakte zijn niet van publiekrechtelijke aard en het gelijkheidsbeginsel faalt omdat andere gevallen niet vergelijkbaar zijn. Verweerder heeft terecht zijn bevoegdheid gebruikt en het beroep is ongegrond verklaard.