Eiser c.s. startte een kort geding tegen gedaagde c.s. met de vordering tot nakoming van drie overeenkomsten en het nemen van een aandeelhoudersbesluit, dan wel tot voortzetting van onderhandelingen over deze onderwerpen. De procedure omvatte schriftelijke producties en een mondelinge behandeling waarbij beide partijen werden bijgestaan door advocaten.
De feiten betreffen onderhandelingen vanaf juli 2020 over de aanstelling van eiser als manager en aandeelhouder van een besloten vennootschap. Er werden conceptovereenkomsten opgesteld en besproken, maar gedaagde gaf in oktober 2021 aan niet langer mee te willen werken aan uitvoering en ondertekening. Sindsdien is er geen contact meer geweest.
Eiser stelde dat hij spoedeisend belang had vanwege mogelijke verslechtering van bedrijfsresultaten, reputatieschade en het risico dat aandelen zouden worden verkocht, waardoor de optieovereenkomst niet meer kon worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een spoedeisend belang bestond. De bedrijfsresultaten zouden juist verbeteren, er was geen bewijs van negatieve berichtgeving en geen aanwijzingen dat aandelen verkocht zouden worden.
Daarom werden de vorderingen afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op een totaal van €1.332,00 aan salaris advocaat en griffierecht, met aanvullende kosten en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.