De zaak betreft een geschil over huurprijsvermindering en betaling van huurachterstand van een bedrijfsruimte verhuurd aan een dameskledingwinkel. De huurovereenkomst liep van 1 oktober 2017 en werd stilzwijgend verlengd. De verhuurder vordert betaling van een huurachterstand en incassokosten.
De huurder beroept zich op huurprijsvermindering vanwege de coronapandemie en de daaruit voortvloeiende overheidsmaatregelen die de exploitatie van de bedrijfsruimte ernstig belemmerden. De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Hoge Raad en past de vastelastenmethode toe om de huurkorting te berekenen.
De rechtbank stelt vast dat de huurprijsvermindering alleen geldt voor de periode maart 2020 tot en met december 2020, omdat de huurder vanaf oktober 2020 de onderneming heeft ontmanteld en vanaf januari 2021 geen omzet meer behaalde. De huurkorting wordt berekend op basis van omzetdaling, vaste lasten en ontvangen tegemoetkoming vaste lasten (TVL).
De verhuurder krijgt gedeeltelijk gelijk: de huurprijsvermindering wordt toegewezen voor de genoemde periode, maar de huurder moet de resterende huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten voldoen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van € 37.415,48 aan huurachterstand, € 1.093,96 aan incassokosten en proceskosten.