De vergunninghouder vroeg een omgevingsvergunning aan voor het plaatsen van een 40 meter hoge telecommast in een bosperceel aan de rand van een woonwijk. De gemeente verleende de vergunning ondanks strijd met het bestemmingsplan, gebruikmakend van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Eisers, omwonenden, maakten bezwaar tegen de vergunning en voerden onder meer aan dat de voorziene elektromagnetische straling gezondheidsrisico's oplevert en dat alternatieve locaties niet voldoende zijn onderzocht.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De gezondheidsrisico's zijn onderzocht en de gemeente volgde het standpunt van de Gezondheidsraad, die geen aanwijzingen ziet voor schadelijke effecten binnen de geldende blootstellingslimieten. De communicatie met omwonenden was niet optimaal, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid van het besluit. De alternatieve locaties boden geen gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren, en de plaatsing van de mast leidt niet tot een onevenredige horizonvervuiling.
Ook de vrees voor waardevermindering van woningen is onvoldoende onderbouwd en kan via planschade worden gecompenseerd. Ten aanzien van de natuurvergunning is geen reden om de vergunning te weigeren, omdat geen beschermde diersoorten zijn aangetroffen. De beroepen worden ongegrond verklaard, de vergunning blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.