De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van een 69-jarige verdachte die werd verdacht van valsheid in geschrifte met betrekking tot notulen van een buitengewone vergadering van aandeelhouders van een besloten vennootschap. De tenlastelegging betrof het gebruik van vermeend valse notulen die een onbeperkt mandaat aan verdachte zouden toekennen, terwijl de notulen op een andere datum zouden zijn opgemaakt of de vergadering nooit zou hebben plaatsgevonden.
De officier van justitie stelde dat de notulen vals waren vanwege feitelijke onjuistheden, waaronder een verkeerde benaming van de vennootschap en aandeelhouder, en een onbevoegd gegeven volmacht. De verdediging voerde aan dat deze onjuistheden onvoldoende bewijs vormden voor valsheid en dat niet kon worden vastgesteld dat de notulen op een andere datum waren opgemaakt of dat de vergadering niet had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat uit het procesdossier en de zitting niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de notulen vals waren. Civielrechtelijke ongeldigheid van het mandaat was geen bewijs voor strafrechtelijke valsheid. Het niet volgens statuten handelen was eveneens geen bewijs voor valsheid. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 8 september 2022 in Zwolle.