Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
5.De schade van benadeelden
6.De vordering tenuitvoerlegging
7.De beslissing
wijstde vordering
af;
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van een 41-jarige man die werd verdacht van het aanbrengen van graffiti op een groot aantal treinstellen van de Nederlandse Spoorwegen en metrotreinstellen van het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf Amsterdam. De tenlastelegging omvatte vernieling door graffiti op tientallen treinstellen in de periode van augustus 2018 tot juni 2020.
De officier van justitie stelde dat de graffiti-uitingen identiek waren en dat diverse bewijsmiddelen wezen op verdachte als dader, waarna een gevangenisstraf van 8 maanden werd gevorderd. De verdediging voerde aan dat er geen forensisch of getuigenbewijs was en dat de aanwezigheid van DNA op gevonden handschoenen geen bewijs van daderschap vormde. Ook werd gewezen op de mogelijkheid dat meerdere leden van de graffiti-scene dezelfde tags gebruikten.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om verdachte rechtstreeks te koppelen aan de vernielingen. Hoewel er aanwijzingen waren voor betrokkenheid bij de graffiti-scene, was dat onvoldoende voor een veroordeling. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens werden de vorderingen van NS en GVB niet-ontvankelijk verklaard en werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van vernieling met graffiti.