Op 11 juli 2022 dienden verzoekers, een moeder en haar minderjarige zoon, tijdens een strafzitting een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter Schröder. Dit verzoek volgde op een ordemaatregel waarbij de moeder werd gevraagd tijdelijk de zittingszaal te verlaten. De verzoekers stelden dat er sprake was van partijdigheid vanwege eerdere uitspraken van de kantonrechter in een andere zaak en een eerdere ontmoeting met de moeder.
De kantonrechter berustte niet in de wraking en gaf aan zich de genoemde uitspraken niet te herinneren en dat er geen archiefstukken zijn die deze bevestigen. De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het toetsingskader waarbij een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid vereist is.
De wrakingskamer concludeerde dat de ordehandhaving tijdens de zitting binnen de taak van de rechter valt en geen aanleiding geeft tot vooringenomenheid. De aangevoerde gebeurtenissen uit het verleden bleken vaag en onvoldoende concreet onderbouwd. Verzoekers verschenen niet bij de mondelinge behandeling om hun verzoek toe te lichten.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.