Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
- toereikende, voldoende hygiënische, behuizing;
- een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit;
- toereikende, voldoende hygiënische, behuizing;
- een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit;
- toereikende, voldoende hygiënische, behuizing;
- een hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer;
- een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit;
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
- feit 1 en feit 3:artikel 1 onder Pro 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 onder d en f, Besluit houders van dieren;
- feit 2:artikelen 1 onder 2o van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 96 Gezondheids Pro- en Welzijnswet voor dieren (oud) juncto artikel 3 van Pro het Besluit identificatie en registratie van dieren junctis de artikelen 15, 20 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren;
- feit 4:artikel 1 onder Pro 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, negende en tiende lid, onderdeel b, van de Wet dieren juncto artikel 1.8 onder b van het Besluit houders van dieren;
- feit 5:artikel 1a onder 3o van de Wet op de economische delicten juncto de artikelen 3.4 en 6.2, eerste lid, Wet dieren juncto artikel 3.22, eerste lid van de Regeling dierlijke producten;
- feit 1:artikel 1 onder Pro 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 onder d, e en f, Besluit houders van dieren;
- feit 2:artikel 1 onder Pro 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, negende en tiende lid, onderdeel b, van de Wet dieren juncto artikel 1.8 onder b van het Besluit houders van dieren.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9. De beslissing
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
stillegging van de ondernemingvan veroordeelde, waarin het economisch delict is begaan voor de duur van
6 (zes)maanden;
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat verdachte:
veertienmaaleen geldboete van € 50,-- (zegge: vijftig euro);
1 (één) dag.