Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 8 november 2022.
Rechtbank Overijssel
Eiser, een maatschap die juridische bijstand verleende aan gedaagde in een echtscheidingsprocedure, vorderde betaling van openstaande declaraties ter hoogte van €7.563,56. Gedaagde betwistte de vordering en stelde onder meer dat zij niets meer verschuldigd was vanwege ontevredenheid over de dienstverlening en onredelijke urenspecificaties.
De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende had voldaan aan haar substantiëringsplicht, doordat zij in de dagvaarding geen melding maakte van de verweren van gedaagde en geen correspondentie overlegde. Ten aanzien van de declaraties uit 2016 werd vastgesteld dat een betalingsafspraak was gemaakt en de vordering daarom werd afgewezen. Voor de declaraties uit 2017 wees de kantonrechter de vordering af omdat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de opgevoerde uren daadwerkelijk waren gemaakt en niet adequaat had gereageerd op de concrete betwistingen van gedaagde.
De rechtbank veroordeelde eiser in de proceskosten en wees de vorderingen volledig af. Het vonnis werd gewezen door mr. F. Koster en op 6 december 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vorderingen tot betaling van declaraties door eiser worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en betwisting van verweren.