ECLI:NL:RBOVE:2022:377

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 januari 2022
Publicatiedatum
10 februari 2022
Zaaknummer
C/08/267516 / HA ZA 21-254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 lid 2 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing van civiele zaak naar kantonrechter wegens hoogte van vordering

In deze civiele procedure tussen eiseres en gedaagde heeft de rechtbank Overijssel in een tussenvonnis geoordeeld dat de zaak vanwege de hoogte van de vordering verder moet worden behandeld door de kantonrechter. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze verwijzing. De rechtbank bevestigt haar oordeel en verwijst de zaak ambtshalve naar de kantonrechter te Enschede.

De rechtbank beveelt eiseres aan om de datum van de rolzitting aan gedaagde aan te kondigen, inclusief de betekening van de verwijzing. Partijen hoeven niet te verschijnen bij de rolzitting, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen over de voortzetting van de procedure. Tevens wijst de rechtbank erop dat partijen in het vervolg van de procedure ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen zonder advocaat.

Verder wordt gewezen op de mogelijkheid van vermindering van griffierecht voor onvermogenden en de terugbetaling van teveel betaald griffierecht. De griffier wordt opgedragen het procesdossier door te zenden aan de roladministratie van de kantonrechter te Enschede. Het vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de civiele zaak ambtshalve naar de kantonrechter vanwege de hoogte van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : C/08/267516 / HA ZA 21-254
Vonnis van 26 januari 2022
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] (Duitsland),
eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,
advocaat: mr. M.M. Nijhuis te Enschede,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [A] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 15 december 2021,
  • de akte uitlating van [eiseres] van 29 december 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat deze zaak naar haar voorlopig oordeel, vanwege de hoogte van de vordering van [eiseres] , verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter.
2.2.
[eiseres] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank.
2.3.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden behandeld door de kantonrechter van deze rechtbank. De rechtbank zal de zaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv Pro ambtshalve verwijzen naar de kantonrechter te Enschede.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie
Enschedeop 22 februari 2022 te 10:00 uur,
3.2.
beveelt dat [eiseres] de datum van de hiervoor vermelde rolzitting bij exploot zal aanzeggen aan [gedaagde] , onder de betekening van de beslissing tot verwijzing,
3.3.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.4.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.5.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort,
3.6.
wijst partijen erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1º. een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging dan wel
2º. een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging); zie www.rvr.org.
3.7.
draagt de griffier op het procesdossier door te zenden aan de roladministratie van de kantonrechter te Enschede.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.