In deze zaak vordert eiser, broer van gedaagde, dat gedaagde wordt verboden de eigendom van de ouderlijke boerderij en bijbehorende percelen aan derden over te dragen, omdat volgens eiser een afspraak bestaat dat hij een recht van eerste koop heeft indien gedaagde het boerenbedrijf wil verkopen. Gedaagde heeft echter een deel van de boerderij met grond verkocht aan derden, en eiser wil dit tegenhouden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang voldoende is gegeven vanwege de geplande levering op 3 januari 2023. De kernvraag is of het recht van eerste koop aannemelijk is. Eiser baseert zich op verklaringen van zijn vader en zichzelf over een mondelinge afspraak uit 2001, maar deze verklaringen zijn niet doorslaggevend en dateren ruim twintig jaar terug. Bovendien is het boerenbedrijf inmiddels ontmanteld, waardoor onduidelijk is of het recht van eerste koop ook geldt voor het huidige onroerend goed.
Het anti-speculatiebeding uit de koopovereenkomst tussen ouders en gedaagde ondersteunt volgens de voorzieningenrechter niet het bestaan van een recht van eerste koop. Ook het feit dat gedaagde contact zocht met eiser bij verkoop in 2021 is onvoldoende om het recht aan te nemen. Het behoud van het naambord van de boerderij wordt niet gezien als aanwijzing voor het recht van eerste koop.
De voorzieningenrechter concludeert dat onvoldoende aannemelijk is dat partijen een recht van eerste koop zijn overeengekomen en wijst de vordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.