Partijen zijn directe buren met een geschil over drie punten: de overkapping van eiseressen steekt volgens gedaagden over de erfgrens, eiseressen stellen dat afwateringspijpjes van gedaagden over de erfgrens steken, en eiseressen vorderen dat gedaagden hun schutting rechtzetten.
Tijdens een plaatsopneming is vastgesteld dat de daktrim van de overkapping ruim één centimeter over de erfgrens steekt. Hoewel de afwateringspijpjes ook over de erfgrens steken, oordeelt de rechtbank dat eiseressen misbruik van recht maken door verwijdering daarvan te vorderen, omdat zij geen concreet belang of hinder hebben aangetoond. De schutting staat scheef, maar er is geen bewijs van schade of dreiging daarvan.
De rechtbank wijst daarom alle vorderingen van eiseressen af. Ook de vordering van gedaagden tot verplaatsing of verwijdering van de overkapping wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een concreet bouwplan en het geringe belang. Beide partijen worden veroordeeld in hun eigen proceskosten, met hoofdelijkheid in de kostenveroordelingen.