Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2022:501

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 februari 2022
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
ak_21_1000
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering en verrekening bijstandsuitkering na herziening

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser herzien en een bedrag van € 8.030,78 teruggevorderd na eerdere besluiten en een eerdere uitspraak van de rechtbank die bepaalde perioden van intrekking en terugvordering bevestigde.

Eiser stelde dat hij vanaf 16 juli 2018 zijn hoofdverblijf op zijn inschrijfadres had en voerde aan dat de kostendelersnorm en bepaalde vergoedingen niet waren meegenomen in de terugvordering. De rechtbank stelde vast dat het oordeel over het hoofdverblijf onherroepelijk is en dat inhoudelijke argumenten over de kostendelersnorm niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.

Verweerder heeft een verrekening toegepast van de proceskostenveroordeling van € 1.068,- met de terugvordering, waardoor nog € 6.962,78 wordt teruggevorderd. De rechtbank oordeelt dat verweerder op goede gronden tot terugvordering en verrekening heeft kunnen overgaan.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot een nieuwe proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen en legt de verantwoordelijkheid bij eiser voor de terugbetaling van het saldo na verrekening.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot terugvordering en verrekening blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 21/1000

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. H. de Boer,
en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ichoh.

Procesverloop

In het besluit van 12 april 2019 (verzonden op 16 april 2019; primair besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) voor de periode van
23 juli 2015 tot en met 31 december 2018 herzien en een bedrag van € 33.826,40 van eiser teruggevorderd.
In het besluit van 28 april 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft de bijstandsuitkering van eiser voor de periode van 24 maart 2017 tot en met 16 januari 2019 ingetrokken en een bedrag van
€ 16.997,26 van eiser teruggevorderd.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 april 2021 het door eiser tegen voormelde besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 28 april 2020 vernietigd voor zover daarbij de intrekking van eisers uitkering over de maanden april, mei, juni, juli, september, november en december 2017 en januari, februari, maart en mei 2018 in stand is gelaten, verweerder opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.
In het besluit van 7 mei 2021 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, eisers bijstandsuitkering over de periode van 24 tot en met 31 maart 2017, augustus 2017, oktober 2017, april 2018 en juni 2018 t/m 16 januari 2019 ingetrokken en een bedrag van € 8.030,78 bruto van eiser teruggevorderd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De uitspraak van de rechtbank van 15 april 2021
1. De rechtbank heeft het in de uitspraak van 15 april 2021 aannemelijk geacht dat eiser op 16 juli 2018 en daarna zijn hoofdverblijf had bij zijn partner, mevrouw [naam] , en dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand van eiser niet is vast te stellen voor de perioden 24 tot en met 31 maart 2017, augustus 2017, oktober 2017, april 2018 en juni 2018 tot en met 16 januari 2019. Ten slotte is in voormelde uitspraak geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld voor de maanden april, mei, juni, juli, september, november en december 2017 en januari, februari, maart en mei 2018.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij eisers uitkering is ingetrokken over de maanden april, mei, juni, juli, september, november en december 2017 en januari, februari, maart en mei 2018 en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Aan eiser is een proceskostenvergoeding van € 1.068,- toegekend.
Het standpunt van verweerder
2. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers uitkering over de perioden 24 tot en met 31 maart 2017, augustus 2017, oktober 2017, april 2018 en periode juni 2018 tot en met 16 januari 2019 ingetrokken en een bedrag van € 8.030,78 bruto van eiser teruggevorderd. Omdat de bijstand tot en met 31 december 2018 is betaald, heeft over de periode 1 januari 2019 tot en met 16 januari 2019 geen terugvordering plaatsgevonden.
Voor wat betreft de proceskostenveroordeling van € 1.068,- heeft verweerder een beroep gedaan op verrekening, omdat de terugvordering op eiser voormeld bedrag overstijgt.
Het standpunt van eiser
3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij vanaf 16 juli 2018 zijn hoofdverblijf had op zijn inschrijfadres [adres] te Deventer. Hij heeft verder aangevoerd dat uit de terugvorderingsspecificatie niet blijkt dat rekening is gehouden met de kostendelersnorm, de door de gemeente aan eiser toegekend vergoedingen in verband met overschrijding van beslistermijnen en proceskostenvergoedingen.
De beoordeling door de rechtbank
4. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting bevestigd dat tegen voormelde uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld. Die uitspraak staat daarmee in rechte vast.
De rechtbank stelt vast dat verweerder met zijn nieuwe besluit van 7 mei 2021 overeen-komstig de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2021 heeft beslist.
5. Eiser heeft in zijn beroepsgronden opnieuw het hoofdverblijf aan de orde gesteld. Over het hoofdverblijf is door de rechtbank in de uitspraak van 15 april 2021 echter een onherroepelijk geworden oordeel gegeven. De rechtbank zal dan ook niet ingaan op wat eiser in de onderhavige procedure over het hoofdverblijf heeft opgemerkt.
6. Ook wat eiser in deze procedure heeft aangevoerd over de kostendelersnorm, zal de rechtbank onbesproken laten. Dit is een inhoudelijk argument, dat naar het oordeel van de rechtbank door eiser in de procedure, die tot de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2021 heeft geleid, aan de orde had moeten worden gesteld.
7. Met betrekking tot het bedrag van de terugvordering van € 8.030,78 heeft verweerder in het bestreden besluit een specificatie opgenomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder overwogen dat de rechtbank verweerder heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.068,-, maar dat de gemeente Deventer op haar beurt een vordering op eiser heeft. Deze vordering overstijgt de proceskosten van € 1.068,-, zodat de gemeente een beroep doet op verrekening.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot terugvordering van een bedrag van € 8.030,78 en tot verrekening van het bedrag van € 1.068,- heeft kunnen overgaan.
Door verweerder is weliswaar in het bestreden besluit niet vermeld wat dit concreet betekent voor het bedrag van de terugvordering, maar ter zitting is besproken dat als gevolg van de verrekening van het bedrag van de proceskostenveroordeling nog een bedrag van
(€ 8.030,78 -/- € 1.068,- =) € 6.962,78 van eiser wordt teruggevorderd.
8. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting nog eerdere besluiten op bezwaar in andere procedures van 28 februari 2020 en 28 april 2020 overgelegd. In het eerstgenoemde besluit wordt aan eiser een kostenvergoeding in bezwaar van € 1.050,- toegekend; in het tweede besluit wordt aan eiser een kostenvergoeding in bezwaar van € 1.050,-, alsmede een dwangsom van € 1.442,- toegekend. Eiser wenst ook deze verrekend te krijgen.
De gemachtigde van verweerder heeft met betrekking tot deze twee besluiten ter zitting verklaard dat hij eerst ter zitting met deze besluiten wordt geconfronteerd en dat hij voor wat betreft deze kostenveroordelingen en dwangsom niet heeft kunnen onderzoeken op welke wijze deze kostenveroordelingen en dwangsom door de gemeente zijn afgehandeld.
Ter zitting is door partijen afgesproken dat de gemachtigde van verweerder dit zal onderzoeken en hierover met de gemachtigde van eiser contact zal opnemen.
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Loenen, rechter, in aanwezigheid van
H. Blekkenhorst, griffier, op
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.