Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
.
Opsporing Verzocht gezien, mooie beloningop 4 november 2020 achter de ruitenwisser van de auto van [naam 7] , partner van [verdachte] . Bij het inzetten van deze methode is niet voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad daarvoor stelt. Deze inzet is daarmee een disproportionele inbreuk op de grondrechten van verdachte.
Opsporing Verzocht gezien, mooie beloning.
: Maar wat we laatst hebben gedaan, dat gaan we niet meer weer doen.Hierop reageert [naam 7] met:
stil, stil, stil.
Opsporing Verzocht gezien, mooie beloning.
“ze weten wat ik gedaan heb. Ik denk dat ze me nu kunnen pakken”.
“er is niks aan de hand, ze weten niks”.
in Nijverdal?Waarop [medeverdachte] antwoordt:
“nee in Losser, heb je dat gezien?”.
“maar dan nog…dan nog kunnen ze niet zeggen dat jij dat bent geweest en alleen dat ding moet je weg hebben he”.
“als ze dat ding niet vinden, dan hebben ze niks”.
“in Nijverdal?”terwijl dit incident in de uitzending niet aan de orde is geweest.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van de benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
medeplegen van een poging tot moord;
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) jaren;
maatregelop dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 114.246,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 238 dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 2.097.336,75 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst af de vordering tot een bedrag van € 585,83;
maatregelop dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 122 dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] voor een deel van € 20.000,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst af de vordering tot een bedrag van € 1.874,91.