ECLI:NL:RBOVE:2022:947
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van verkrachting ondanks mogelijk ongewenste seks
Op 23 december 2020 vond er seks plaats tussen verdachte en aangeefster. Aangeefster verklaarde dat zij tegen haar wil was gedwongen tot seks door verdachte, die haar naar een carpoolplaats had gebracht en haar had gedwongen tot seksuele handelingen. Verdachte stelde dat de seks met wederzijdse instemming was.
De rechtbank onderzocht of verdachte wist dat aangeefster geen seks wilde en voorbij ging aan haar verzet. Volgens artikel 342, tweede lid, Sv mag een bewezenverklaring niet uitsluitend op één getuige berusten zonder steunbewijs. De rechtbank vond geen voldoende steunbewijs buiten de verklaringen van aangeefster. Appjes van aangeefster waren niet bruikbaar als steunbewijs omdat ze niet aan verdachte kenbaar waren.
Ook de verwonding aan het hoofd van aangeefster bood geen steun, mede omdat deze pas zes dagen later werd vastgesteld en er geen getuigenverklaringen waren die haar verzet bevestigden. De weigering van directe begeleiders om te getuigen was schrijnend maar veranderde niets aan het bewijs.
De rechtbank concludeerde dat het mogelijk is dat aangeefster de seks als ongewenst ervoer, maar dat er onvoldoende bewijs is dat dit voor verdachte kenbaar was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van verkrachting. De vordering tot schadevergoeding van aangeefster werd niet ontvankelijk verklaard en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij wist dat de seks ongewenst was.