Op 7 december 2021 heeft een vennootschap een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een premixenfabriek in Hasselt. Het college verleende deze vergunning op 1 november 2022. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld door meerdere partijen, die ook een voorlopige voorziening vroegen. De voorzieningenrechter wees deze voorziening op 9 februari 2023 toe, waardoor de vergunning werd geschorst.
Na intrekking van de beroepen door twee partijen vroeg de vennootschap op 3 maart 2023 om opheffing van de schorsing. De voorzieningenrechter oordeelde dat de derde partij geen belanghebbende is, omdat de vergunde fabriek geen gevolgen van enige betekenis heeft voor zijn woon- en leefklimaat. De afstand, het zicht, de planologische uitstraling en de milieugevolgen zijn beperkt en onvoldoende onderbouwd om een persoonlijk belang aan te nemen.
Daarom werd het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening toegewezen en de schorsing opgeheven. Tevens werd het griffierecht aan de vennootschap terugbetaald en het college veroordeeld in de proceskosten van € 837. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een bodemprocedure.