Reobijn B.V. vorderde in kort geding betaling van €38.720 van The Product People Holding B.V. (TPPH) voor de productie en levering van een matrijs. De matrijs is bestemd voor de seriematige productie van een component van een zittoepassing. De prijs was verdeeld in drie termijnen, waarvan de eerste termijn reeds door een dochtervennootschap van TPPH, The Box Seat B.V. (TBS), was betaald.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat TPPH de facturen moest betalen, mede omdat de eerste termijn al door TBS was voldaan en Reobijn dit bedrag niet had teruggegeven. Daarnaast stelde TPPH een opschortingsrecht wegens gebrekkige levering, wat nader onderzoek vereist dat niet in kort geding kan plaatsvinden.
Verder ontbrak het aan spoedeisend belang bij de vordering en had Reobijn essentiële feiten verzwegen en processtukken niet tijdig overgelegd, wat leidde tot een volledige proceskostenveroordeling. De vordering werd afgewezen en Reobijn veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €6.281, te vermeerderen met wettelijke rente.