De zaak betreft een kort geding waarbij eiser een voorlopige voorziening vordert tegen gedaagde, huurder van een winkelruimte, wegens niet-betaling van huur en ontruiming van het gehuurde.
Eiser verhuurt sinds 1 december 2020 een winkelruimte met parkeerplaats aan gedaagde, met een huurprijs van € 1.815 per maand en een looptijd tot 30 november 2025. Gedaagde is vanaf 1 februari 2021 in gebreke gebleven met huurbetaling, waardoor een huurachterstand is ontstaan van € 39.937,50 tot en met februari 2023, plus een contractuele boete van € 7.500, totaal € 47.437,50.
Gedaagde is niet verschenen tijdens zittingen, waarop verstek is verleend. Eiser heeft zijn eis gewijzigd en vordert ontruiming van het gehuurde, betaling van de huurachterstand, boete en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter wijst de vordering toe, maar wijst het verzoek af om eiser zelf te machtigen tot ontruiming met behulp van de sterke arm, omdat dit wettelijk niet is toegestaan.
De rechter veroordeelt gedaagde binnen 14 dagen te ontruimen en te betalen € 48.836,53 aan huurachterstand, boete en kosten, vermeerderd met wettelijke rente, en een dwangsom van € 1.815 per maand zolang ontruiming uitblijft. Tevens wordt de contractuele boete vanaf 1 maart 2023 tot daadwerkelijke ontruiming toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.