Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres, uit [woonplaats] , gezamenlijk eisers,
Rechtbank Overijssel
Eisers maakten bezwaar tegen het door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vastgestelde maandelijkse aflossingsbedrag van €250,35 voor terugbetaling van een voorschot op grond van de Participatiewet. De SVB handhaafde dit bedrag in een bestreden besluit en voerde een stapsgewijze verrekening met het AOW-pensioen in. Eisers voerden aan dat zij niet in staat zijn tot aflossing vanwege hun financiële situatie, hogere zorg- en energiekosten en dat de beslagvrije voet onredelijk is berekend.
De rechtbank concludeert dat de SVB de aflossingscapaciteit in redelijkheid heeft vastgesteld, mede gelet op de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) die sinds 2021 geldt en waarbij voor AOW-gerechtigden geen hogere beslagvrije voet meer wordt gehanteerd. De rechtbank verwijst naar een brief van de minister waarin wordt erkend dat deze wet negatieve gevolgen kan hebben voor AOW-gerechtigden en dat een oplossing wordt onderzocht.
Hoewel eisers hun financiële situatie en schuldenlast aanvoeren, hebben zij dit niet voldoende gespecificeerd of onderbouwd om een onredelijk resultaat aan te tonen. De SVB heeft bovendien rekening gehouden met draagkracht en een gewenningsperiode toegepast. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de vastgestelde aflossingscapaciteit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde maandelijkse aflossingscapaciteit van €250,35 wordt ongegrond verklaard.