ECLI:NL:RBOVE:2023:146

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2023
Publicatiedatum
17 januari 2023
Zaaknummer
10137585 \ EJ VERZ 22-313
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Boek 5 BWArt. 96 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering schuttingdeur op erf met erfdienstbaarheid toegestaan

In deze zaak tussen buren over een schuttingdeur die op het erf van eiser staat, heeft de kantonrechter geoordeeld dat eiser als eigenaar van de grond ook eigenaar is van de schuttingdeur door natrekking. Hierdoor mag eiser de schuttingdeur verwijderen, ook al staat deze al 22 jaar.

De schuttingdeur staat op een pad waarop een erfdienstbaarheid rust ten behoeve van gedaagde. Dit recht geeft gedaagde alleen het recht om te lopen, niet om de schuttingdeur te behouden. Er is geen sprake van bezit van de grond door gedaagde, waardoor verjaring niet aan de orde is.

Eiser mag de schuttingdeur verwijderen, maar moet deze wel aan gedaagde teruggeven om onrechtmatige verrijking te voorkomen. Gedaagde wordt geadviseerd mee te werken aan verwijdering. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Eiser mag de schuttingdeur verwijderen, maar moet deze aan gedaagde teruggeven.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 10137585 \ EJ VERZ 22-313
Vonnis van 13 januari 2023
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna in enkelvoud te noemen: [eiser] ,
en
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
hierna in enkelvoud te noemen: [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Partijen hebben hun geschil door middel van een aanmeldformulier aangemeld bij de Overijsselse Overlegrechter. Dit is een vorm van rechtspraak als bedoeld in artikel 96 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
1.2.
Het geschil is op 14 december 2022 door de kantonrechter behandeld. De kantonrechter is daarbij aan [straatnaam] in [plaats] ter plaatse geweest voor een bezichtiging van de situatie. Daarna is de zaak verder behandeld op de rechtbank in Enschede. Daarbij waren [eiser] en [gedaagde] aanwezig.
1.3.
Partijen zijn niet onderling tot afspraken gekomen om het geschil op te lossen. Daarom hebben zij de kantonrechter gevraagd om vonnis te wijzen.

2.Waarover gaat deze zaak?

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn naaste buren. [eiser] woont sinds 2019 aan [adres 1] en [gedaagde] woont sinds 2000 aan [adres 2].
2.2.
Langs de woning van [eiser] loopt een pad (dat voor de helft van [eiser] is en voor de helft van de eigenaar van [adres 3]) naar de achterzijde van de percelen. Achteraan de percelen loopt het pad uit op een T-splitsing, rechtsaf naar het perceel van de buren van [adres 3] en linksaf over het erf van [eiser] naar de achterzijde van het perceel van [gedaagde] . Op het deel van het pad dat eigendom is van [eiser] , is een erfdienstbaarheid (recht van voetpad) ten behoeve van het perceel van [gedaagde] gevestigd, zodat [gedaagde] over dit pad de achterzijde van zijn perceel kan bereiken.
2.3.
Er staat een schuttingdeur op het deel van het pad van [eiser] dat met de erfdienstbaarheid is bezwaard. [gedaagde] heeft de sleutel van deze schuttingdeur.
Wat wil [eiser] ?
2.4.
[eiser] wil dat [gedaagde] de schuttingdeur verwijdert. De schuttingdeur staat op zijn erf en hij wil bij de schutting aan de achterzijde van zijn erf kunnen komen om onderhoud te kunnen verrichten, zonder daarvoor afhankelijk te zijn van de medewerking van [gedaagde] .
Wat wil [gedaagde] ?
2.5.
[gedaagde] voert aan dat er al een schuttingdeur stond toen hij er – 22 jaar geleden – kwam wonen. Hij heeft deze in 2008, in verband met de ouderdom, vervangen door een nieuwe schuttingdeur. [gedaagde] wil dan ook dat de schuttingdeur blijft staan. Het waarborgt de privacy en voorkomt dat onbevoegden via het pad de achterzijde van het perceel van [gedaagde] kunnen betreden.

3.De beoordeling

Wat vindt de kantonrechter van de zaak?
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] de schuttingdeur weg mag halen. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
3.2.
Tussen partijen is niet exact duidelijk waar de juridische erfgrens tussen de percelen van [eiser] en [gedaagde] ligt. Partijen zijn het er echter wel over eens dat de schuttingdeur op het perceel van [eiser] staat. Dat betekent dat [eiser] eigenaar is van de schuttingdeur. In de wet staat namelijk dat de eigenaar van de grond ook eigenaar wordt van alles dat duurzaam met die grond is verenigd. [1] De schuttingdeur hangt in dit geval in een kozijn dat aan de ene kant is bevestigd aan een gemetselde zuil en aan de andere kant aan een betonnen paal, die beide duurzaam met de grond van [eiser] zijn verenigd.
3.3.
Het feit dat [eiser] eigenaar is van de grond en van de schuttingdeur, betekent dat hij het recht heeft om daarover vrij te beschikken. Een eigendomsrecht is namelijk het meest omvattende recht dat iemand op een zaak kan hebben. [eiser] mag de schuttingdeur dan ook verwijderen of laten weghalen. [eiser] wordt daarbij niet gehinderd door het bestaande recht van erfdienstbaarheid, want dat recht van erfdienstbaarheid verschaft aan [gedaagde] alleen het recht om via dit pad te voet naar de achterzijde van zijn eigen perceel te lopen.
3.4.
Dat de schuttingdeur er al 22 jaar staat, betekent niet dat de schuttingdeur moet blijven staan. Het feit dat de schuttingdeur er al zo lang staat, zou enkel verschil kunnen maken, indien [gedaagde] de grond eronder en erachter al zo lang in bezit zou hebben genomen, dat hij inmiddels door verjaring eigenaar zou kunnen geworden. Maar [gedaagde] betoogt niet dat hij door langdurig bezit eigenaar is geworden van de grond onder en achter de schuttingdeur, waar het voetpad naar zijn perceel loopt en waar de erfdienstbaarheid op rust. Er is geen sprake van inbezitneming van het afgesloten stuk voetpad door [gedaagde] . [gedaagde] erkent immers dat hij het voetpad gebruikt op grond van de erfdienstbaarheid die op het pad rust en dat die grond in eigendom aan [eiser] toebehoort. Zoals hiervoor onder 3.3. al overwogen, betekent dat, dat de met de grond van [eiser] verbonden deur ook van [eiser] is. [eiser] mag daar dus mee doen wat hij wil.
3.5.
Overigens mag [gedaagde] het deel van het pad dat eigendom is van [eiser] ook niet op een andere wijze afsluiten. Het gebruikmaken van een recht van overpad moet plaatsvinden op de minst bezwarende wijze. Dat betekent dat [gedaagde] het pad niet mag afsluiten op het deel van het pad dat van [eiser] is. Alleen op zijn eigen erf (of op de erfgrens) mag [gedaagde] een schuttingdeur plaatsen. Als hij de schuttingdeur op de erfgrens plaatst, wordt de schuttingdeur mandelig (dat betekent: gemeenschappelijk eigendom van [gedaagde] en [eiser] ). Het is echter maar zeer de vraag of dat laatste verstandig is, omdat [eiser] en [gedaagde] dan gezamenlijk eigenaar worden van de schuttingdeur en zij zich als mede-eigenaren jegens elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid zullen moeten gedragen. De kantonrechter heeft de indruk gekregen dat de relatie tussen deze buren daar niet goed genoeg voor is.
3.6.
Hoewel partijen hierover tijdens de mondelinge behandeling niet hebben gediscussieerd, overweegt de kantonrechter dat [eiser] de schuttingdeur in beginsel wel aan [gedaagde] zal moeten teruggeven. [eiser] wordt anders zonder rechtvaardiging verrijkt. Zijn vermogen wordt immers vermeerderd met de (waarde van de) schuttingdeur. [gedaagde] zou daardoor juist worden verarmd. Hij heeft de schuttingdeur in 2008 immers op zijn kosten vervangen. De eerdergenoemde regel, die bepaalt wie eigenaar van de schuttingdeur is, rechtvaardigt niet dat [eiser] door de eigendomsverkrijging van de schuttingdeur wordt verrijkt. Daarom moet [eiser] de schuttingdeur bij wijze van schadevergoeding aan [gedaagde] teruggeven. Maar [gedaagde] doet er dan wel verstandig aan om zijn medewerking te verlenen aan de verwijdering van de deur (bijvoorbeeld door de sleutel ter beschikking te stellen), of de verwijdering van de deur zelfs helemaal zelf ter hand te nemen. Anders moet [eiser] de deur misschien beschadigen om deze te kunnen verwijderen. Enig overleg hierover tussen [gedaagde] en [eiser] lijkt in ieder geval niet overbodig.
Conclusie
3.7.
[eiser] mag de schuttingdeur verwijderen. Hij moet de schuttingdeur wel aan [gedaagde] teruggeven. [gedaagde] mag de schuttingdeur op zijn eigen grond of op de erfgrens plaatsen.
De proceskosten
3.8.
Partijen hebben gekozen voor een procedure bij de Overijsselse Overlegrechter. Uitgangspunt hierbij is dat de proceskosten worden gecompenseerd, inhoudende dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kantonrechter ziet in deze procedure geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
bepaalt dat [eiser] gerechtigd is om de schuttingdeur te verwijderen;
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2023. (SB)

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 20 van Pro boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.