ECLI:NL:RBOVE:2023:2037

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
10468178 \\ CV EXPL 23-1520
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsregeling zorgverzekering te vroeg beëindigd door Menzis

Menzis en gedaagde zijn een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan waarbij gedaagde maandelijks premies en een eigen risico moest betalen. Gedaagde liep een betalingsachterstand op van €869,58 voor het eigen risico. Na het sturen van aanmaningen werd op 20 januari 2023 een betalingsregeling getroffen waarbij gedaagde €75 per maand zou betalen, met de eerste betaling uiterlijk op 30 januari 2023.

De eerste betaling kwam niet op tijd binnen, waarna Menzis de regeling beëindigde en gedaagde dagvaardde voor betaling van het openstaande bedrag vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente. Gedaagde erkende de schuld maar voerde aan dat de eerste betaling niet kon plaatsvinden omdat de Stadsbank Oost Nederland nog niet alles had afgerond, en dat hij daarna wel correct betaalde.

De kantonrechter stelt vast dat Menzis geen verdere herinneringen of contact met gedaagde of de Stadsbank heeft gezocht na het uitblijven van de eerste betaling. Gezien de bereidheid van gedaagde om te betalen en de bekende financiële situatie, had Menzis meer zorgvuldigheid moeten betrachten. Het voortijdig beëindigen van de regeling en het starten van een gerechtelijke procedure was onnodig en onbegrijpelijk.

Daarom wijst de kantonrechter de vordering van Menzis af en veroordeelt Menzis in de proceskosten van gedaagde. De betalingsregeling is inmiddels hervat en zal worden voortgezet.

Uitkomst: De vordering van Menzis wordt afgewezen omdat de betalingsregeling te vroeg is beëindigd en gedaagde nodeloos in rechte is betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 10468178 \\ CV EXPL 23-1520
Vonnis van 30 mei 2023
in de zaak van
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis ,
gemachtigde: mr. M. Spruit (GGN Mastering Credit N.V.),
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van Menzis van 23 maart 2023;
- de (mondelinge) conclusie van antwoord van [gedaagde] ter rolzitting van 2 mei 2023.
1.2.
De kantonrechter heeft tijdens bovengenoemde rolzitting telefonisch contact opgenomen met mr. M. Spruit van GGN, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden. GGN heeft daarin ook te kennen gegeven dat zij geen behoefte had aan een extra schriftelijke conclusie en dat er wat haar betreft vonnis kon worden gewezen.
1.3.
Vervolgens heeft de kantonrechter vonnis bepaald op vandaag.

2.Inleiding

2.1.
De centrale vraag die in deze procedure voorligt is of Menzis de betalingsregeling met [gedaagde] op goede gronden heeft beëindigd, nu de eerste betaling conform de betalingsregeling niet is binnengekomen en of zij [gedaagde] daarna terecht in rechte heeft betrokken.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat Menzis de betalingsregeling te vroeg heeft beëindigd, gelet op de gebleken bereidheid van [gedaagde] de opgelopen betalingsachterstand te voldoen en de bekendheid van Menzis met zijn slechte financiële positie.

3.De feiten

3.1.
Menzis en [gedaagde] zijn een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] maandelijks premies verschuldigd. Daarnaast is [gedaagde] , wanneer door hem aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van zorg, verplicht eigen risico verschuldigd.
3.2.
[gedaagde] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan in de betalingen van het verschuldigd eigen risico van een bedrag van € 869,58.
3.3.
De gemachtigde van Menzis (hierna: GGN) heeft [gedaagde] op 12 september 2022 en op 24 november 2022 veertiendagenbrieven gestuurd voor het verplicht eigen risico.
3.4.
[gedaagde] heeft op 20 januari 2023 een betalingsregeling getroffen van € 75,00 per maand om de betalingsachterstand in te lopen. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat de eerste betaling uiterlijk op 30 januari 2023 diende plaats te vinden.

4.Het geschil

4.1.
Menzis vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 999,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 869,58 vanaf 23 maart 2023 tot aan de dag van volledige betaling. Ook vordert Menzis veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
Aan haar vordering legt Menzis de volgende stellingen ten grondslag. Omdat van [gedaagde] geen betaling viel te verkrijgen van het nog openstaande bedrag, zag Menzis zich genoodzaakt haar vorderingen ter incasso uit handen te geven. De kosten daarvoor bedragen € 157,83 (inclusief btw) en komen voor rekening van [gedaagde] . Verder vordert Menzis een bedrag van € 46,84 aan wettelijke rente, berekend tot 23 maart 2023. Sindsdien vordert Menzis de wettelijke rente over de hoofdsom tot aan de dag van volledige betaling.
4.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering van Menzis . [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de hoofdsom erkend, maar begrijpt niet waarom hij hiervoor is gedagvaard. [gedaagde] heeft voor onderhavige vordering in januari 2023 via zijn contactpersoon bij Stadsbank Oost Nederland een betalingsregeling getroffen. Deze betalingsregeling is recent zelfs verhoogd ter voorkoming van extra proceskosten. [gedaagde] is de betalingsregeling correct nagekomen. Alleen de eerste betaling in januari 2023 is niet betaald, omdat op dat moment nog niet alles bij de Stadsbank rond was. Vanaf februari 2023 heeft [gedaagde] elke maand conform de betalingsregeling betaald. De contactpersoon van [gedaagde] bij de Stadsbank heeft na ontvangst van de dagvaarding contact met GGN gehad, maar de procedure zou doorgang vinden.
4.4.
Menzis , althans GGN, heeft telefonisch als reactie op het verweer van [gedaagde] nog het volgende aangevoerd. De eerste betaling is niet conform de betalingsregeling, te weten uiterlijk op 30 januari 2023, binnengekomen, waarna de betalingsregeling is vervallen. Er is geen brief naar de Stadsbank gestuurd dat de regeling is vervallen. De Stadsbank had contact met GGN dienen op te nemen toen het bekend was dat de eerste aflossing niet tijdig betaald kon worden. Eerst op 29 maart 2023, na dagvaarding, is GGN door de Stadsbank gebeld met de vraag of de regeling hervat kon worden en dat is ook gebeurd.

5.De beoordeling

5.1.
Vooropgesteld wordt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de omstandigheden van het geval aanleiding kunnen geven te oordelen dat er onvoldoende noodzaak heeft bestaan een betalingsregeling te beëindigen, en daaropvolgend tot dagvaarding over te gaan en een gerechtelijke procedure te starten. Hierbij geldt dat, wanneer een schuldenaar bereid is de opgelopen betalingsachterstand in verband met een zorgverzekering te voldoen, van (de gemachtigde van) de schuldeiser mag worden verwacht dat zij probeert om extra hoge kosten voor de schuldenaar te voorkomen. In dat kader mag van een schuldeiser, alvorens over te gaan tot beëindiging van een betalingsregeling, de nodige zorgvuldigheid worden verwacht, bijvoorbeeld door het sturen van een betalingsherinnering of op andere wijze nagaan of er bij de niet correcte nakoming van de betalingsregeling niet iets mis is gegaan wat zich voor eenvoudige correctie leende (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBGEL:2019:1910, ECLI:NL:RBMNE:2019:2015, ECLI:NL:RBLIM:2019:331).
5.2.
De kantonrechter overweegt met inachtneming van het voorgaande als volgt. Menzis stelt dat zij terecht is overgegaan tot beëindiging van de betalingsregeling en daaropvolgend tot dagvaarding, nu de eerste betaling conform de betalingsregeling niet (uiterlijk) op 30 januari 2023 binnengekomen is. Menzis heeft de betalingsregeling dan ook beëindigd. Niet gebleken is de kantonrechter echter dat (de gemachtigde van) Menzis , na het uitblijven van die betaling nog herinneringen of aanmaningen voor die betaling naar [gedaagde] , dan wel naar de Stadsbank, heeft gestuurd. Vast staat wel dat [gedaagde] in februari 2023 conform de betalingsregeling is blijven betalen en dat [gedaagde] daarmee ook na dagvaarding op 23 maart 2023 is doorgegaan. Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter de bereidheid van [gedaagde] om de opgelopen betalingsachterstand te voldoen. Vast staat tevens dat (de gemachtigde van) Menzis op de hoogte was van de slechte financiële positie van [gedaagde] .
5.3.
Onder voormelde omstandigheden had het op de weg van (de gemachtigde van) Menzis gelegen nader onderzoek te doen alvorens over te gaan tot beëindiging van de betalingsregeling. Dat geldt te meer nu tussen het treffen van de betalingsregeling en de eerste betaling slechts tien dagen zaten en ook (de gemachtigde van) Menzis bekend was met de betrokkenheid van de Stadsbank. Dat (de gemachtigde van) Menzis geen nader onderzoek heeft gedaan, de betalingsregeling heeft beëindigd en op 23 maart 2023 is overgegaan tot dagvaarding, met alle voorzienbare (en op [gedaagde] te verhalen) proceskosten van dien, is naar het oordeel van de kantonrechter onbegrijpelijk. Procederen was onder deze omstandigheden, mede gelet op de hoogte van onderhavige vordering in verhouding tot de bijkomende (proces)kosten (ter hoogte van “grosso modo” € 600,-), toch volstrekt onnodig.
5.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat Menzis te vroeg is overgegaan tot beëindiging van de betalingsregeling en dat zij [gedaagde] hierna nodeloos in rechte heeft betrokken. De betalingsregeling is, zo begrijpt de kantonrechter, thans hervat en zal dus reeds worden voortgezet zodat de vordering van Menzis zal worden afgewezen.
5.5.
Menzis zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 50,00 aan reis- en verletkosten.

6.De beslissing

6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Menzis in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 50,00 aan reis- en verletkosten;
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft onderdeel 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op
30 mei 2023. (TD)