Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[Partij B1] ,
[Partij B2],
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.De feiten
[adres 2], toevoeging rechtbank]
.
[adres 3], toevoeging rechtbank]
. (…)”
Rechtbank Overijssel
Partij A heeft een recht van erfdienstbaarheid van weg op het perceel van Partij B. Partij A vordert dat Partij B het pad deugdelijk onderhoudt en duldt, althans dat Partij A zelf het onderhoud mag verrichten, terwijl Partij B een verbod vordert voor Partij A om werkzaamheden aan het pad te verrichten.
De rechtbank stelt vast dat het pad voldoende toegankelijk is en dat Partij A zijn recht kan uitoefenen. De akte van vestiging bevat geen onderhoudsverplichting voor Partij B, en er is geen plaatselijke gewoonte die dat oplegt. Wel is er een stilzwijgende afspraak dat Partij B het onderhoud verricht, maar de wijze van onderhoud voldoet aan redelijke maatstaven.
De vorderingen van Partij A worden afgewezen omdat er geen belemmering is en het onderhoud adequaat is. De subsidiaire vordering tot een verklaring van recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De vordering van Partij B tot verbod op werkzaamheden van Partij A wordt eveneens afgewezen omdat artikel 5:75 BW Pro Partij A toestaat noodzakelijke werkzaamheden te verrichten.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst alle vorderingen af en compenseert de proceskosten tussen partijen.