Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2023:222

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 januari 2023
Publicatiedatum
24 januari 2023
Zaaknummer
08-952934-15
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsbeslissing tot betaling wederrechtelijk verkregen voordeel wegens medeplegen witwassen

De rechtbank Overijssel heeft op 24 januari 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen en het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van €358.426,--. De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard en dat het ontnemingsbedrag te hoog was.

De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €264.987,55, gebaseerd op contante uitgaven zonder legale herkomst, waaronder de herbouw van een woning, de aanleg van een tuin en contante betalingen via het Grens Wissel Kantoor. Het oordeel was dat de veroordeelde en haar mededader deze uitgaven enkel konden doen met geld dat zij door middel van strafbare feiten tot hun beschikking hadden.

De rechtbank heeft de betalingsverplichting hoofdelijke opgelegd aan de veroordeelde, met de bepaling dat indien al (gedeeltelijk) door een ander is betaald, de veroordeelde daarvan wordt bevrijd. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €264.987,55 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-952934-15
Datum vonnis: 24 januari 2023
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot hoofdelijke betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 358.426,--.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 20 december 2022 en 10 januari 2023. De veroordeelde, bijgestaan door haar raadsman mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht, is op de terechtzitting van 20 december 2022 verschenen en zij is op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 20 december 2022 heeft de officier van justitie mr. C.Y. Huang haar vordering gehandhaafd.
De raadsman heeft zich, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens het ontbreken van rechtsgrond tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Tegenover het beschikbare contante geld van [medeverdachte] ter hoogte van
€ 165.500,-- staat een bedrag van € 172.210,17 aan contante uitgaven, zodat € 6.710,17 niet aan de hand van de berekening kan worden verklaard. Op basis van dit onverklaarbare bedrag kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 24 januari 2023 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
de voortgezette handeling van
feit 1 primair
het misdrijf: medeplegen van witwassen;
en
feit 2 primair
het misdrijf: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.
Daarnaast levert het bewezenverklaarde onder feit 2 op (
voor zover de geldbedragen niet zien op de herbouw van de woning aan [adres 2] te Overdinkel):
feit 2 primair
het misdrijf: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.
Tenslotte levert het bewezenverklaarde op:
feit 3 primair
het misdrijf: medeplegen van witwassen.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank van 24 januari 2023 veroordeeld voor (medeplegen) van (gewoonte)witwassen van een woning en diverse geldbedragen, een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) wederrechtelijk verkregen voordeel zijn. In artikel 36e, derde lid, Sr is echter bepaald dat wederrechtelijk verkregen voordeel ook kan worden ontnomen indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Artikel 36e, derde lid, Sr stelt geen eisen aan de aard of de ernst van deze andere strafbare feiten die tot het voordeel hebben geleid. Bij gebrek aan (voldoende) legale inkomsten en bij gebrek aan enig andersluidende aannemelijke verklaring van de veroordeelde (en haar mededader [medeverdachte] ), acht de rechtbank het aannemelijk dat zij en haar mededader de betreffende uitgaven enkel hebben kunnen doen met geld dat zij en haar mededader door middel van strafbare feiten van [medeverdachte] tot hun beschikking hadden. De rechtbank zal het voordeel schatten op grond van het bepaalde in artikel 36e, derde lid, Sr.
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank zich mede gebaseerd op het rapport “Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex artikel 36e lid 3 Sv” (ontnemingsrapport) d.d. 3 juli 2020, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] . Voorts heeft de rechtbank zich gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting en het vonnis van 24 januari 2023.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank allereerst de geldbedragen ten aanzien waarvan [medeverdachte] is veroordeeld ter zake witwassen onder feit 1 en feit 2. Uit het veroordelend vonnis is gebleken dat de volgende feitelijke contante uitgaven zonder legale herkomst zijn gedaan door [medeverdachte] en [verdachte] :
  • € 240.000,--, bestaande uit contante uitgaven voor de herbouw van de woning aan [adres 2] te Overdinkel;
  • € 4.903,--, bestaande uit ongebruikelijke transacties bij het Grens Wissel Kantoor (GWK);
  • € 1.207,05, bestaande uit contante betalingen aan Essent via het GWK;
  • € 3.877,50, bestaande uit contante betalingen aan TUI voor een vakantie.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat, naast de herbouw van de woning, de tuin is aangelegd. De aanleg van de tuin is begroot op een bedrag van € 15.000,-. Het gaat onder meer om het ontwerp van de tuin, de beplanting, de bestrating en een groot luxe hekwerk aan de voorzijde van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat [verdachte] en haar mededader [medeverdachte] deze uitgaven enkel hebben kunnen doen met geld dat [medeverdachte] en [verdachte] door middel van strafbare feiten tot hun beschikking hadden.
Bij elkaar opgeteld, komt dit neer op een bedrag van € 264.987,55. De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op dit bedrag.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
Gelet op de omstandigheid dat veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen en het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, zal de rechtbank een hoofdelijke betalingsverplichting opleggen voor het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 264.987,55 hoofdelijk.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 264.987,55;
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
  • bepaalt de duur van de
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. C.J. Sangers-de Jong en
mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gottemaker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.
Buiten staat
Mr. C.J. Sangers-de Jong en mr. R. ter Haar zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.